De witte zorg doet de allochtonen geen goed

Allochtone patiënten hebben andere zorg nodig dan autochtonen, omdat ze andere ziektes hebben en anders over ziektes denken. Maar hoever moet het begrip van de artsen gaan?

Rondom het gezondheidscentrum Nieuw Schilderswijk in Den Haag wonen grote Marokkaanse en Turkse gezinnen in kleine bovenwoningen. De kinderen kunnen er niet binnen spelen en zonder de verkeersregels te kennen gaan ze de straat op. `Allochtone kinderen in het verkeer' heet daarom een van de boekjes in de spreekkamer van migrantenvoorlichtster Anissa Laghzaoui. Een ander boekje adviseert over babyverzorging; de zuigelingensterfte in de achterstandswijk is het hoogst van Nederland, onder meer door auto-ongevallen. Op vakantie naar het land van herkomst zitten te jonge baby's te lang in de auto en drogen uit. Ook is het strakke monitoringsysteem waarin zwangeren terechtkomen voor veel vrouwen in de Schilderswijk niet vanzelfsprekend.

De zorgverlening in Nederland is te wit, zeggen onderzoekers en hulpverleners. Niet dat allochtonen een slechtere gezondheid hebben, integendeel, de levensverwachting van bijvoorbeeld Marokkanen in Nederland is nog altijd 3,5 jaar hoger dan die van autochtonen. Dat komt doordat in de jaren zeventig en tachtig alleen gezonde migranten konden komen werken. De verwachting is echter dat hun levensverwachting zal dalen, terwijl die van autochtonen blijft stijgen. Migranten nemen ongezonde westerse eetgewoontes over en hun sociaal-economische omstandigheden zijn soms droevig. ,,Laagopgeleiden leven gemiddeld vijf jaar korter dan hoogopgeleiden. Relatief veel allochtonen hebben niet eens een opleiding'', zegt sociaal wetenschapper Marc Bruijnzeels aan de Rotterdamse Erasmus Universiteit.

De zorgverlening zou te wit zijn omdat allochtonen een andere medische benadering behoeven en die niet krijgen. Turken en Marokkanen bijvoorbeeld hebben vaker last van diabetes, astma en psychische aandoeningen, maar lijden minder aan kanker of hart- en vaatziektes. Sommige hoge bloeddrukremmers slaan bij zwarten minder goed aan dan bij blanken, waardoor ze andere medicatie nodig hebben. Niet alle huisartsen weten dat. Aan eenzelfde behandeling voor diabetes houden Turkse mannen een hogere suikerwaarde over dan Nederlandse mannen. Een van de oorzaken daarvan is dat de advisering van huisartsen sterk gericht is op voeding. ,,Maar Turken eten vaak al gezond en hebben dus behoefte aan ander advies'', zegt Bruijnzeels. Ook Barend Middelkoop, hoofd van de afdeling epidemiologie van de Haagse GGD, zegt dat goede voorlichting voor allochtonen met diabetes ontbreekt. ,,Een diëtiste zou tegen een Marokkaan moeten kunnen zeggen: dat gebakje kan, maar dan moet u bij de hoofdmaaltijd zoveel couscous laten staan. Voor de Nederlandse keuken zijn daar allerlei tabellen voor.'' Ooit hebben enthousiaste vrijwilligers dat soort folders gemaakt, zegt Middelkoop, in alle talen, maar die zijn inmiddels op, of gedateerd.

Huisartsen in de grote steden hebben het te druk om extra tijd uit te trekken voor allochtone patiënten. De meeste grote steden hebben daarom sinds enkele jaren migrantenvoorlichters aangesteld die moeten bemiddelen tussen allochtone patiënten en zorgverleners. Op het spreekuur van Laghzaoui verschijnt een jonge Marokkaanse moeder van nog geen twintig in een donkerblauwe lange jas, en met een zwarte hoofddoek om. Haar zoontje heeft vaak last van keelpijn. De arts stuurt haar steeds weg. Die zegt daar dan wel bij dat als ze ongerust is ze altijd kan bellen. Maar als ze dan belt zegt de secretaresse dat de arts geen tijd heeft. Ze is bezorgd, moeten de amandelen er niet uit? De arts wordt erbij geroepen. En met z'n drieën zijn ze er eigenlijk zo uit. De arts zegt dat de Marokkaanse vrouw alleen moet komen als de keel van haar zoon rood is, of witte vlekken heeft of als hij koorts heeft. En als ze de secretaresse belt moet ze de woorden `telefonisch spreekuur' zeggen, want ze kan altijd bellen, niet altijd langskomen.

Laghzaoui krijgt wel eens kritiek dat ze de integratie van Marokkaanse vrouwen in de weg staat. Daar is ze het niet mee eens. ,,Om te kunnen integreren moeten Marokkaanse vrouwen eerst de weg weten te vinden. Daar help ik ze bij.''

Artsen zouden hun allochtone patiënten te veel vanuit hun eigen cultuur benaderen. Ze leren bijvoorbeeld tijdens hun opleiding met patiënten te onderhandelen. ,,De vraag is'', zegt Bruijnzeels, ,,of je dat bij een laagopgeleide analfabete patiënt uit een traditionele cultuur ook moet doen.''

Huisarts en onderzoeker Hans Harmsen deed daar onderzoek naar, onder 38 Rotterdamse huisartsen. De slechte communicatie, zegt Harmsen, begint al als de patiënt binnenkomt en gaat zitten. ,,`Waarom komt u hier', vraagt de dokter. Dat wekt geen vertrouwen. Allochtone patiënten, met name die uit traditionele culturen zoals Marokkanen en Turken, hebben een heel andere kijk op ziekte en gezondheid'', zegt hij. Ze gaan vaker naar de dokter en vinden dat aan iedere klacht iets gedaan moet worden. Terwijl huisartsen patiënten bij vage klachten adviseren om het rustig aan te doen, zijn psychische klachten voor veel allochtonen taboe. Ook zoeken allochtone patiënten andere oorzaken voor ziekte: ze hebben te koud gedronken, of zouden behekst zijn.

Het onbegrip tussen arts en patiënt vormt een gezondheidsrisico, zegt Harmsen, waar het gaat om chronische ziektes, zoals astma of diabetes. Hoe meer onbegrip tussen huisarts en patiënt, hoe meer kans dat de patiënt controleafspraken overslaat en recepten niet ophaalt.

    • Esther Rosenberg