Wachten op de bewijzen

Volgende week komt de Amerikaanse regering met overtuigende bewijzen dat Saddam massavernietigingswapens (mvw's) maakt, of al heeft. Een paar maanden geleden kondigde premier Blair al zo'n openbaring aan, kwam zelf met documenten die zijn oppositie aan het lachen maakten. Daarna hoorde men er niets meer van. Toen Hans Blix en zijn inspecteurs hun werk begonnen, vroegen ze de best ingelichte Amerikaanse en Britse geheime diensten om informatie. Ze zouden de gewenste hulp krijgen. Óf daar is niets van gekomen, óf die hulp was niet bruikbaar. In ieder geval, met of zonder, hebben Blix en de zijnen nog niet de fameuze smoking gun aangetroffen. President Bush zelf verzekert Saddam wekelijks dat hij zijn mvw's moet inleveren. Onveranderlijk is het antwoord: welke? We hebben ze niet.

Met dit alles is natuurlijk niet bewezen dat in Bagdad een vreedzame regering zetelt die niets liever dan de waarheid spreekt. Blix heeft niet de medewerking gekregen waartoe Irak zich verplicht had. Hij wil en krijgt meer tijd, en opnieuw beloven de Irakezen beterschap. Dit aandringen en ontwijken wordt een gevaarlijk spel. Maar daar gaat het op het ogenblik niet om. Hoe gevaarlijk dat spel ook mag zijn, het is een onvergelijkelijke kleinigheid vergeleken bij wat we, en dan vooral de Irakezen, Britten en Amerikanen, in een werkelijke oorlog zouden beleven.

De strijdkrachten zijn in het laatste stadium van voorbereiding tot de grote oorlog. Of tot een zeer ambitieuze sprong in het duister, waardoor niet alleen een bewind zal worden `vervangen'. Het kan een onderneming worden waarbij het hele Midden-Oosten op een of andere manier zal worden betrokken. De wereldeconomie wordt al maanden beïnvloed door de toenemende dreiging. Oude bondgenootschappen kraken in hun voegen. De president zelf, iets meer dan een jaar geleden nog de populairste uit de geschiedenis, ziet dat kostbaar fundament afbrokkelen. De Democraten beginnen eindelijk een beetje hun vorm te hervinden. Vriend Blair heeft het met zijn publieke opinie en zijn eigen partij ook steeds moeilijker.

De korte voorgeschiedenis tot de oorlog, als die ervan komt, kan in een grafiek beschreven worden. Hoe steiler de lijn van de militaire voorbereidingen omhoog is gegaan, hoe dichter de dalende kromme van de politieke steun tot een loodrechte naar beneden is genaderd. Dit lijkt al tegen alle beginselen van de politiek en de krijgskunst in te druisen. Vreemder wordt het nog, als we bedenken dat Bush en Blair nu al een half jaar verzekeren over de onomstotelijke bewijzen voor de noodzaak tot oorlog te beschikken, en dan, terwijl ze de steun voor de onderneming zien wegbrokkelen, verzuimen daarmee voor de dag te komen. Dat maakt de potentiële vrienden op z'n minst wantrouwend. Is er misschien een ander motief, vragen de Europeanen zich af. Wordt van ons gevraagd dat we onze soldaten, hoe absurd ook, bij gebrek aan bewijs offeren, zeggen steeds meer Amerikanen.

Dit gebrek aan bewijs is het eerste argument tegen de oorlog. Het tweede, ingewikkelder, telt even zwaar. Er is geen reden om aan te nemen dat Saddam niet door een politiek van containment in bedwang kan worden gehouden. Scherpere en permanente controle onder druk van een parate strijdmacht is altijd veruit te verkiezen boven de onoverzienbare verwoestingen en de politieke chaos die de gevolgen van de werkelijke oorlog zullen zijn. Bij de vorige gelegenheid heeft Saddam de inspecteurs van de VN eruit gegooid. Laat dat niet weer gebeuren.

Hoe verschillend in menig opzicht ook, het westen en de Sovjet-Unie zijn er veertig jaar in geslaagd hun tegenstelling (in het begin op leven en dood) niet in noodlottig geweld te laten ontaarden. Daar stonden twee formidabele machtsblokken tegenover elkaar. Ze hebben zich aan de ongeschreven spelregels van de geweldloosheid gehouden. De Sovjet-Unie is tenslotte aan interne zwakte ten onder gegaan. En als het misliep, werd dat veroorzaakt doordat één van de twee met geweld een verkeerd begrepen, relatief ondergeschikt probleem probeerde op te lossen: Vietnam, Afghanistan.

Op het ogenblik is het hele westen betrokken in een grote, ingewikkelde tegenstelling met de landen van het Midden-Oosten. Cultureel, economisch, politiek, godsdienstig. Irak is daarvan een deelprobleem. Het gevaar dreigt dat Bush en Blair cum suis zullen proberen met een oorlog dit deelprobleem op te lossen, en daardoor het geheel ingewikkelder, gevaarlijker en duurzamer zullen maken.

Alle historische vergelijkingen gaan in zo'n geval mank, maar er zijn wel wezenstrekken die verhelderend kunnen werken. In de Suez-crisis, 1956, handelden de Fransen en Britten, bij hun poging om het Suez kanaal weer `onder controle' te brengen, unilateraal. Ze verloren en splitsten het bondgenootschap. In de Cubaanse rakettencrisis, 1962, beschikte president Kennedy over harde bewijzen, ging tot de rand van de oorlog, maar met Chroesjtsjov niet er overheen. Suez is een klassieke beoordelingsfout; Cuba een voorbeeld van een gewaagde maar kundige diplomatie die de vrede bevestigde.

Nogmaals, met alle verschillen in aanmerking genomen, doet het vraagstuk Irak, in zijn behandeling door president Bush steeds meer aan Suez denken. Daarom moeten we ons tegen dit vooruitzicht op een min of meer unilaterale en preventieve oorlog verzetten. Dat is geen anti-Amerikanisme maar fundamentele kritiek op het staatshoofd van een bevriend land. Oorlog zonder overtuigend bewijs tot de noodzaak; òf een consequent uitgevoerde politiek van containment. Tot nader order zijn dat de alternatieven.

    • H.J.A. Hofland