Vijandig water

Zaterdag is de Nationale herdenking Watersnoodramp 1953. Rien Vroegindeweij was acht jaar oud toen het water bij hem thuis in het trapgat klotste.

Bij ons kwam het water pas tegen de avond. Het begon al donker te worden. We zagen het aankomen om de hoek van de huizen in aanbouw, zo'n honderd meter van ons huis vandaan. Een grote golf van grauwgrijs water, die zich als een tapijt breed uitrolde en zich in luttele minuten tegen ons huis wierp. De deuren en ramen kraakten, het hele huis kraakte, we hoorden de kelder vollopen, het water spoot de keuken en de kamer in, het steeg de trap op naar de slaapverdieping waar wij de hele dag op het water hadden zitten wachten.

In nog geen vijf minuten stond ons huis onder. Het waren angstige minuten. Ik wilde steeds naar het trapgat om te zien hoe hoog het water was gestegen. Maar de kinderen moesten in de slaapkamer blijven. Op een gegeven moment hoorde ik mijn vader tegen mijn moeder zeggen dat het water nu niet meer hoger zou komen. Het waren geruststellende woorden en ik twijfelde er niet aan dat mijn vader wist wat hij zei. Op de deur van het schuurtje had hij met menie een meetlat geschilderd, waarop nu af te lezen was dat het water 1,50 meter hoog stond.

Hoe was hij op dat idee gekomen? Had hij instructies gekregen toen hij 's morgens naar het dorp was geweest? Zo had hij ook een trapleer in de gang achter de voordeur gezet, waarmee hij, toen we werden weggehaald, als laatste ons huis kon verlaten. Maar zover was het nog lang niet. We zaten opgesloten, we konden nergens heen. We waren slachtoffer van de ramp die zich reeds diep in de nacht had voltrokken.

Honderden mensen, duizenden dieren waren die nacht verdronken. Maar wij wisten het pas om acht uur 's morgens, toen de buurvrouw ons kwam waarschuwen. Ze belde aan, ze riep dat er watersnood was. In ons huis brak paniek uit, mijn moeder zei dat we ons onmiddellijk moesten aankleden en op onze slaapkamer moesten blijven. Maar er was niets te zien. Zover ik keek was het droog.

Buiten zag ik mijn vader die met de buurman stond te praten. Ze kwamen binnen en zetten samen de kolenkachel op de eettafel midden in de huiskamer. Daarna ging hij de buurman met de kachel helpen. Toen hij zei dat hij even naar het dorp moest, protesteerde mijn moeder, maar hij pakte zijn fiets en reed weg alsof er niets aan de hand was. Gelukkig kwam hij al weer snel terug en zei dat we alles wat draagbaar was naar boven moesten brengen.

Later heb ik begrepen dat wij slachtoffer waren van de tweede vloed. De eerste had, opgezweept door de noordwesterstorm en opgetild door de magneet van de nieuwe maan, zijn verwoestende werking gedaan, daarbij geholpen door de slechte staat waarin de dijken op veel plaatsen verkeerden. De storm luwde, het werd eb en het werd weer vloed: de nieuwe vloed spoelde ongehinderd door de gaten in de buitendijken, stuwde het water dat al in de polders stond verder op, over en door de binnendijken, de slapers en de dromers, naar gebieden die niet of ten dele onder water stonden en waar de mensen zich op de zolders van hun huizen nog betrekkelijk veilig waanden. Bij de tweede vloed zijn de meeste mensen verdronken.

Dat alles wist ik natuurlijk niet toen we in angstige spanning de nacht in gingen. Ik was acht; het water stond hoger dan ik zelf was en ik kon niet zwemmen. Het was koud, het regende, in het trapgat klotste het vijandige water. Hoe lang moesten we hier blijven?

Noach had maar één boot en dobberde honderdvijftig dagen over de wateren tot zijn ark vastliep op de Ararat. Maar toen ik de volgende dag uit het raam keek was het in mijn straat een drukte van belang. Een vreemde vloot van vlotten, roeiboten, motorvletten, kano's en pieremachochels voer door de straat, beladen met gezinnen die kleumend in elkaar gedoken zaten. De evacuatie was al op gang gekomen. Maar wij werden pas de volgende dag opgehaald. Een voor een liet mijn vader ons aan een touw onder de armen naar beneden zakken, we werden door sterke handen gegrepen en in de schommelende roeiboot onder het raam gezet. Mijn vader klom via de trapleer in de gang in de boot. Toen hij zat trok hij de deur achter zich dicht, stak zijn hand in het water en deed hem op het nachtslot. We waren gered.