Rampfoto's in gestileerde verpakking

In de diverse Nederlandse fotoarchieven ligt een schat aan fotomateriaal, gemaakt ten tijde van de watersnoodramp die zich dit jaar precies een halve eeuw geleden voltrok in Zeeland, Noord-Brabant en Zuid-Holland. Daaruit moet een indringende tentoonstelling zijn samen te stellen die niet alleen een beeld schetst van de gebeurtenissen en de gevolgen maar ook – direct of indirect – van de wijze waarop deze door professionele fotografen in beeld werden gebracht. Waar letten ze op? Welke foto's maakten ze en welke werden er wel en welke niet gebruikt door de redacties van kranten en tijdschriften? Met De Ramp van '53 door het oog van de media heeft het nieuwe Nederlands Fotomuseum in Rotterdam (recent ontstaan uit de fusie van het Nederlands Foto Instituut, het Nederlands Fotoarchief en het Nationaal Fotorestauratie Atelier) geprobeerd die gedroomde tentoonstelling te maken. Maar meer dan een poging is het niet geworden. Centraal in de presentatie staat een metershoog beeldscherm waarop doorlopend fragmenten uit historisch beeld- en geluidsmateriaal vertoond worden. Dat materiaal zit verstopt in een `Engraph multimedia' computer, een nieuwe presentatietechniek waarmee bezoekers zelf aan de slag kunnen. Zoiets heet interactief maar is in de praktijk, en zeker met maar één beeldscherm, vooral overactief. Afhankelijk van de grillen van de medebezoekers wordt er eindeloos gezapt op zoek naar dat ene filmpje met die zwemmende koe dat nóg eens gezien moet worden. De foto's die ook in de Engraph moeten zitten, de tijdschriften waarin virtueel gebladerd kan worden: ze willen maar niet tevoorschijn komen.

Tegenover het beeldscherm staan, of beter gezegd leunen, foto's van onder meer Henk Jonker, Ed van der Elsken en Ed van Wijk in aluminium constructies die met hun ronde gebogen achterkant en diagonale steunen doen denken aan strandstoelen – een associatie die wordt versterkt door de met designershand uitgestrooide bergjes fijn zand waarin ze zijn neergezet. Die vormgeving zal ongetwijfeld bedoeld zijn om het contrast te accentueren tussen de watersnood van toen en het argeloze vakantievertier van nu. Maar uitgewerkt wordt dat contrast nergens, en wat overblijft is niet meer dan een gestileerde verpakking die zich op geen enkele wijze wil verbinden met de realiteit van de inhoud.

Niet alleen is de fotoselectie met 38 moderne reproducties zowel kwalitatief als kwantitatief uiterst mager, ook van de in de titel van de tentoonstelling voorgespiegelde duiding komt bitter weinig terecht. De Engraph toont beelden maar analyseert ze nergens, de foto's hangen zonder tekst of uitleg in hun stoelen en voor het overige moet de bezoeker het doen met een reeks ook alweer zonder enig commentaar gepresenteerde voorpagina's van kranten en tijdschriften, en met enkele opengeslagen exemplaren van het kort na de gebeurtenis uitgebrachte boek De Ramp. Vanwege de voor de slachtoffers bestemde opbrengst werd dit boek in zo'n grote oplage gedrukt dat het tot op de dag van vandaag in ieder antiquariaat voor het oprapen ligt. Dat gebrek aan interpretatie en analyse van het visuele beeld doet op zijn minst vreemd aan voor een museum dat zich juist op dit terrein zegt te willen onderscheiden van de andere, al dan niet recent opgerichte foto-instellingen die zich juist meer richten op individuele fotografen en hun oeuvres.

En dat terwijl de aanknopingspunten voor een beeldanalyse (of een aanzet daartoe) toch voor het oprapen liggen. Waarom werden er op covers van zowel binnen- als buitenlandse tijdschriften zo veelvuldig foto's gemonteerd? Had dat enkel te maken met de traagheid van de beeldvoorziening in die jaren waardoor de sterkste foto's lang niet altijd direct voorhanden waren, of gebeurde het doelbewust om een gewenst effect te bereiken?

Zowel uit de kranten als de tijdschriften blijkt dat vrijwel vanaf het begin in de nieuwsvoorziening sterk de nadruk werd gelegd op de wederopbouw, meestal gecombineerd met een naar de oorlogsjaren verwijzend pleidooi voor saamhorigheid. In hoeverre speelde dat mee in de keuze van beeldbepalende foto's? Want het is opvallend hoe vaak er gebruik werd gemaakt van foto's van een moeder en een kind, bij voorkeur schuilend onder een deken – een direct op herkenbare emotie inspelende symboliek. En waarom werden er alleen maar dode koeien gefotografeerd? Zouden dode mensen te veel aan de oorlogsjaren herinneren, of werden dergelijke beelden niet betamelijk geacht in de Nederlandse fotojournalistiek van die jaren? Hoe uitzonderlijk is dus die ene in de expositie opgenomen `harde' foto van Henk Nieuwenhuijs, van een wanhopig verkrampte vuist tussen een stapel puin en planken? Het zijn vragen waarvan je zou verwachten dat de expositie ze niet alleen zou stellen, maar ook zou beantwoorden.

Tentoonstelling: De ramp van '53 door het oog van de media. Nederlands Fotomuseum, Witte de Withstraat 63, Rotterdam. T/m 9/3, di t/m zo 11-17u. Inf. 010-2132011 of www.nederlandsfotomuseum.nl.

    • Eddie Marsman