De ondraaglijke lichtheid van het onderwijs

Zowel het VWO als het bètawetenschappelijk onderwijs aan de universiteiten lijken ten prooi te vallen aan een grote bezuinigings- en hervormingsdrift. Het VWO wordt lichter en de universiteiten krijgen steeds minder geld, terwijl steeds minder studenten voor een `harde' bètaopleiding kiezen.

Op het VWO lijken nu moeilijke vakken als natuur- en wiskunde geschrapt te worden in het profiel Natuur & Gezondheid, hetgeen vooral kwalijk is voor leerlingen die biologie, geneeskunde of een dergelijke opleiding gaan volgen. Universiteiten kunnen dan niet meer van een bepaalde basiskennis en denkniveau uitgaan, terwijl natuurkunde en wiskunde nu net de vakken zijn die ten grondslag liggen aan veel andere disciplines.

Voor iedereen die ook maar iets met een bètawetenschap te maken krijgt, of het nu gaat over de werking van enzymen in cellen, de beweging van ledematen bij de mens of het beoordelen van effecten van natuurbeheer, is kennis van de natuur- en wiskundige denkwijze van groot belang. Tevens wordt het zo nog moeilijker de interesse voor natuurwetenschappen bij de scholieren te wekken.

Het grootste probleem van de universitaire opleidingen is dat de universiteiten geld van de overheid krijgen per binnengekomen en per afstuderende student. Om niet financieel ten onder te gaan zien de universiteiten zich gedwongen om elke student zo weinig mogelijk te laten kosten, wat inhoudt dat studenten zo snel mogelijk moeten afstuderen en dat er zoveel mogelijk studenten moeten zijn. Dit gaat ten koste van het opleidingsniveau.

Een zeer belangrijke eigenschap van een academicus is het vermogen tot kritische reflectie. Het is echter pas mogelijk om kritisch over een probleem na te denken als je voldoende inzicht in de problematiek hebt. Pas dan doorziet iemand de implicaties en gevolgen van een eventuele beslissing. Maar tot inzicht kan alleen iemand komen die beschikt over achtergrondkennis, waarbij achtergrondkennis van het eigen vakgebied net zo belangrijk is als kennis van de rest van de wereld. Bovendien moet deze kennis diep gaan. Een academicus mag geen stellingen accepteren zonder daarvan het bewijs of de achterliggende redenering gezien en begrepen te hebben. Dan kan iemand ook in nieuwe situaties gebruik maken van zijn kennis en vaardigheden, of inzien waarom dat niet mogelijk is.

In dit opzicht is het onacceptabel dat universiteiten, om maar zoveel mogelijk studenten te trekken, puur toepassingsgerichte opleidingen aanbieden en binnen bestaande opleidingen veel `steunvakken' die achtergrondkennis verschaffen, schrappen of vereenvoudigen. Zo worden de universiteiten steeds meer bevolkt door steeds minder capabele studenten. Veel studenten zijn niet bereid om moeite te doen voor dergelijke steunvakken, en klagen steen en been wanneer ze theoretische vakken moeten volgen. Omdat het onderwijs om financiële redenen gericht is op de massa, wordt dit onderwijs voor gemotiveerde en slimme studenten steeds minder aantrekkelijk, soms zelfs van een ondraaglijke lichtheid.

Daarbij komt dat de overheid studenten demotiveert om verder te studeren dan strikt noodzakelijk is. Met simpel onderwijs zonder uitdagingen wordt het voor de studenten, zeker dat van de meer begaafde, steeds moeilijker om hun talenten ten volle te ontwikkelen. En dat terwijl de universitaire opleidingen toch qua niveau de topopleidingen moeten zijn. Wanneer iemand een minder diepgaande en toepassingsgerichte opleiding wil volgen, is er het HBO. Iemand die een hoger niveau wenst kan alleen maar naar de VS of Engeland, mits hij of zij genoeg geld heeft.

Een belangrijke eigenschap van een academicus is zelfstandigheid, maar ook de ontwikkeling tot een zelfstandig mens wordt belemmerd door het huidige onderwijssysteem. Het is zeer eenvoudig om slechts de platgetreden paden in het studieprogramma te volgen, begeleid door tutoren en mentoren die op ieder moment de student bij de hand houden.

In het nieuw ingevoerde bachelor-master systeem zijn verplichte hoorcolleges en huiswerkopgaven massaal ingevoerd, om zo de uitval te verminderen. Ook moeten studenten te pas en te onpas in groepjes samenwerken, hetgeen de individuele ontwikkeling remt. Een universiteit moet geen cursus zijn om tentamens te halen of om ideale werknemer te worden, maar moet leiden tot ontplooiing van de talenten van de student.

De kwaliteit van het wetenschappelijk onderwijs moet veilig gesteld worden. Als het onderwijs in Nederland steeds verder achteruitgaat, zal het steeds minder de meest begaafde en gemotiveerde studenten aanspreken. Het moet voorkomen worden dat zij, samen met de beste hoogleraren, gedwongen worden naar landen met beter onderwijs en een beter wetenschappelijk klimaat uit te wijken, omdat zij nodig zijn voor de toekomst van onze kenniseconomie. Wanneer de slimme studenten en hoogleraren eenmaal verdwenen zijn, zal het extra moeilijk zijn de opgelopen schade te herstellen.

Jos Käfer studeert biologie aan Wageningen Universiteit en Janne Kool wiskunde aan de Universiteit Utrecht.