Braaf criticus, braaf

Wat is het nou – Lapse leisteen, Finse, Zweedse? Er was gedonder over de bekleding van de nieuwbouw van het Van Abbemuseum, zoals over vrijwel ieder aspect van deze nieuwbouw. Maar ja, er zijn geen museumuitbreidingen zonder gedonder, nergens ter wereld en zeker niet in Nederland. De laatste trend is dat ze worden afgeblazen, dus daar komt Eindhoven nog goed weg.

Ik vond het een beetje jammer dat die loodgrijze tegels (van een heel duur soort steen, maar niet zo'n dure als architect Abel Cahen eigenlijk had gewild) niet beter pasten op de enorme buitenmuren van de nieuwe vleugel. Het was alsof iemand maar was begonnen met tegelen, en wel zou zien waar hij uitkwam. Zelf bemoeit een waarlijk hedendaags architect zich niet met zulke details. Die tekent grootse gebaren, en laat mindere goden uitrekenen of het te bouwen is, en desgewenst te bekleden.

Afgelopen zaterdag wemelde het van de cultuurliefhebbers (smaakvolle schoenen, originele monturen) in het pasverbouwde en heropende museum. Nee, ik mag het de architect niet aanrekenen dat ik altijd een beetje kregel word van een dergelijk publiek, dat gewillig gele stickers op zijn dure truien plakt en zich verdringt, net daar waar ik wil lopen. Ook kan hij het niet helpen dat de geëxposeerde hedendaagse kunstwerken van zo'n stuitende kinderachtigheid zijn. Maar wat ik nooit zal begrijpen is, dat die cultureel geïnteresseerde menigte zo in- en in-braaf is. Gretig zuigen zij de toelichtingen op die ze van de rondleiders krijgen, geen oneerbiedig woord onsnapt aan hun lippen. Ze zijn dankbaar en blij. De arrogantste medicus, de haaibaaiigste huisvrouw, als zij op stap zijn met hun kunstclubje kennen zij hun plaats en vinden alles boeiend.

Een treffende overeenkomst eigenlijk met de architectuurcritici, die door de bank genomen ook reuze volgzaam zijn. Het lijkt alsof hier dezelfde logica aan het werk is als bij de leken en de kunst. Wie sceptische vragen stelt, bewijst dat hij er niets van heeft begrepen, en telt dus niet meer mee. Niet meetellen is de ergste straf die een architectuurcriticus kan treffen (al was het maar omdat het schrijven van wervende publicaties over architecten een belangrijke nevenverdienste is).

Onlangs, bij een forumdiscussie in Amsterdam, bleek dat weer pijnlijk duidelijk. Architecten en critici debatteerden over de rol van de architectuurkritiek. Alsof een fatsoenlijke criticus zich zou willen voegen in een rol die hem wordt toegedacht door degenen over wie hij moet oordelen! De gesuggereerde rollen waren ruwweg die van profeet, klankbord of bemiddelaar, met een sterke voorkeur voor de eerste. Heel even had iemand het over columnisten die over architectuur schreven: een huivering voer door de zaal.

Maar ja, dat zijn wel vaak de enigen die blaffen waar de specialisten hun mond houden. Hoe kan het dat die toevallig altijd eensgezind vinden dat ieder besproken gebouw een hoogst respectabele schepping (maar meestal iets beters) is? Logischer zou het zijn als nieuwe gebouwen in Nederland niet voor, maar na hun voltooiing echte debatten uitlokten tussen mensen met verstand van zaken. Dat de een zegt dat het hierom niet deugt, en de ander dat het daarom juist een meesterwerk is. Zonder vrees of ruggespraak, zoals het hoort.

Het nieuwe Van Abbe valt van binnen wel mee na die overdonderende grijze buitenkant. Van binnen is het een koel wit museumgebouw van een vindingrijk architect, die zijn ouderwets modernistische achtergrond niet verloochent. Zoiets zou ik zeggen. Maar de wereld zou er wijzer van worden als de gediplomeerde architectuurcritici er eens luidkeels over van mening verschilden, in plaats van braaf in hun rol te blijven.