Staalgigant Arcelor saneert `strategisch'

Arcelor, de grootste staalproducent ter wereld, wil de productie inkrimpen en gaat de komende jaren in vier Europese vestigingen de hoogovens sluiten. Daarbij zullen duizenden banen verloren gaan.

Het was niet de vraag óf Arcelor zou gaan saneren, maar wanneer. Bij de vorig jaar voltooide fusie van het Franse Usinor, het Spaanse Aceralia en het Luxemburgse Arbed tot de grootste staalproducent ter wereld kondigde het bedrijf al aan schaalvoordelen te willen behalen door de productie van ruwe staal te concentreren op de efficiëntst draaiende locaties. Daarmee wil het concern dit jaar al een kostenbesparing van 300 miljoen euro op jaarbasis realiseren, oplopend tot 700 miljoen euro in 2007.

Wat die abstracte cijfers in de praktijk betekenen bleek vrijdag, toen Arcelor een verklaring uitbracht over ,,de uitkomst van een strategische studie'' die het afgelopen jaar is verricht. Het persbericht rept met geen woord over fabriekssluitingen of banenverlies, maar meldt slechts dat ,,investeringen in het vernieuwen van continentaal gelegen hoogovens'' niet langer uitgevoerd zullen worden, maar dat in plaats daarvan geïnvesteerd zal worden in de ,,aan de kust gelegen locaties met de laagste productiekosten''.

In Luik (Wallonië), Florange (Noord-Frankrijk), Bremen (Noord-Duitsland) en Eisenhüttenstadt (Oost-Duitsland) wisten ze direct wat dat betekende: sluiting. Niet per vandaag of morgen, maar wel binnen enkele jaren. Want een hoogoven, die gewoonlijk dag en nacht doordraait, heeft elke twaalf tot vijftien jaar groot onderhoud nodig. Dan wordt hij gedoofd en onder meer aan de binnenkant van een nieuwe vuurvaste laag voorzien, een investering van tientallen miljoenen euro's. In Bremen is één van de twee hoogovens volgend jaar al toe aan een onderhoudsbeurt, die nu niet meer wordt uitgevoerd. In Luik gaat in 2005 de eerste hoogoven dicht, in Eisenhüttenstadt in 2006. In hetzelfde jaar volgt de tweede Luikse hoogoven. Florange heeft tot 2009 de tijd voor de eerste staalproductielijn wordt opgedoekt.

De ingrepen van Arcelor, die enkele duizenden banen kosten, treffen alleen het `warme' deel van het productieproces, waarbij uit ijzer en cokes staal gemaakt wordt, dat vervolgens in dikke plakken wordt gegoten. Ook gaat een aantal warmbandwalserijen dicht, waar de staalplakken worden gewalst tot platen van enkele millimeters dik. Het `koude' deel van de staalproductie, zoals de koudbandwalserijen waar het staal op dikte wordt gemaakt voor onder meer de auto- en verpakkingsindustrie en de fabrieken voor de bewerking van staal (zoals vertinnen of lakken), blijft behouden.

Het is overigens de vraag of het niet goedkoper is dit deel van het proces uiteindelijk ook dicht bij de productie van ruwe staal te houden, gezien de hoge transportkosten van staal. De kosten van de aanvoer van de grondstoffen ijzer en steenkool zijn ook de voornaamste reden dat de productie van ruwe staal aan zee gemiddeld zo'n 15 euro per ton goedkoper is dan landinwaarts, wat substantieel is in een markt waar de prijzen continu onder druk staan.

De staalindustrie kampt al jaren met overcapaciteit en een groeiend aanbod van goedkoop staal uit Azië en Oost-Europa. Een deel daarvan verdween tot voor kort nog naar de Verenigde Staten, maar sinds dat land importheffingen op staal heeft ingevoerd om de eigen staalsector te beschermen, komt veel in Europa terecht. De enige manier om de prijzen op peil te houden is de capaciteit te verlagen. De EU-landen en grote staalproducenten als China, Japan en Rusland hebben vorig jaar afgesproken de mondiale staalproductie tot 2005 met 140 miljoen ton terug te brengen. Arcelor, dat 44 miljoen ton per jaar produceert en daarmee de nummer twee Posco (Zuid-Korea, 28 miljoen ton) ruimschoots overtreft, heeft zich daarbij aan een substantiële productievermindering verbonden. Met de geleidelijke sluiting van `continentale' staalfabrieken verlaagt Arcelor de capaciteit uiteindelijk met zo'n 9 miljoen ton.

De staalproductie in Europa daalt al enkele jaren gestaag, wat na een dieptepunt in 2001 vorig jaar tot licht hogere staalprijzen heeft geleid. Arcelor en de Europese nummer drie, het Duitse ThyssenKrupp, bleven daardoor winst maken. Over de eerste negen maanden van 2002 daalde de nettowinst van Arcelor van 442 naar 143 miljoen euro. De omzet daalde met 2 procent tot 20 miljard euro.

Het Brits-Nederlandse Corus, met 18 miljoen ton na Arcelor de grootste Europese staalproducent, bleef ondanks de prijsstijgingen met verlies draaien. De resultaten over 2002 zijn nog niet gepubliceerd, maar het is onwaarschijnlijk dat het verlies van 237 miljoen pond (352 miljoen euro) over het eerste halfjaar in de tweede helft is goedgemaakt. Corus zou de strategie van Arcelor kunnen volgen en de staalproductie aan zee concentreren, maar veel schiet het daar niet mee op. In Nederland ligt de staalproductie al pal aan zee (IJmuiden) en in Engeland geldt dat voor drie van de vier productielocaties. Alleen bij Sheffield heeft Corus nog een (kleine) landinwaarts gelegen vestiging. Die

lag vroeger dicht bij de Britse steenkolenmijnen, maar die zijn dicht.

    • Jochen van Barschot