Ook andere landen trekken lering uit `Srebrenica'

Ook in het buitenland wil men leren van de fouten die in Srebrenica zijn gemaakt. Onderzoeker A. Moens analyseerde het NIOD-rapport in opdracht van de Canadese overheid.

Alexander Moens zegt het zo: ,,Als `iets doen' neerkomt op een belofte die je niet kunt waarmaken, die vervolgens leidt tot een resultaat dat even erg is als of erger is dan wanneer je niets had gedaan, is `iets doen' dan nog altijd moreel verantwoord?''

Het antwoord is duidelijk: nee – en dat is misschien wel de belangrijkste les die uit de val van Srebrenica getrokken kan worden, aldus de hoogleraar politicologie aan de Simon Fraser Universiteit in Vancouver, Canada. Moens, van geboorte Nederlander maar al tientallen jaren woonachtig in Canada, heeft in opdracht van de Canadese regering een analyse gemaakt van het NIOD-rapport Srebrenica, een `veilig' gebied, nadat dat vorig jaar in april uitkwam. Ook het rapport-Bakker dat gisteren uitkwam, gaat Moens bestuderen.

De Canadese regering beschouwt internationaal peacekeeping, blijkens een overheidsschrijven op internet, als ,,een belangrijk aspect van het nationale erfgoed van Canada en een uiting van onze fundamentele overtuigingen''. Volgens dezelfde bron neemt Canada op dit moment deel aan 18 verschillende missies op het gebied van peacekeeping.

Moens heeft voor het Canadese ministerie van Defensie het NIOD-rapport ,,uitgekamd'', wat hem niet meeviel. ,,Het is enorm gedetailleerd, zonder enig analytisch kader. Het gaat maar door.'' En wat hem vooral opviel: het rapport is zelden hard: ,,Veel observaties die je als beschuldiging of conclusies had kunnen formuleren, verzachten de onderzoekers door de zaak van alle kanten te bekijken.''

Toch, zegt Moens, beschouwt hij het rapport als een rijke bron voor militaire lessen en heeft hij zijn opdrachtgever waardevolle aanbevelingen kunnen doen. Hij heeft zich ook meer dan eens over Nederland verbaasd, lezend door de duizenden pagina's. ,,Zo'n generaal Couzy, ongelooflijk! Die was in Canada geen half jaar opperbevelhebber gebleven.'' Waarbij hij aantekent dat hij wel ziet dat Couzy zijn troepen wilde behoeden voor het bureaucratisch moeras waarin de politiek was verzand.

De belangrijkste conclusies over Srebrenica die Moens trekt, zijn:

Met zijn morele benadering van de politiek had Nederland zichzelf in een positie gebracht dat het wel móest instemmen met deelname aan UNPROFOR, en dat Nederland dat deed zonder enige voorwaarde te stellen.

Dutchbat ging naar Srebrenica met de lichtst mogelijke bewapening en zonder enig plan voor het geval het tot gevechten mocht komen. Terwijl andere UNPROFOR-deelnemers wat meer spierballen gingen tonen naarmate ze langer op de Balkan waren, leek Dutchbat wel steeds slapper te worden. (Moens voegt daaraan toe: ,,Ik heb Canadese officieren geïnterviewd van het Royal Canadian Regiment, die te kennen gaven dat als hun troepen waren aangevallen, zoals de Nederlanders, zij zouden hebben teruggevochten. Verliezen of niet, onderbewapend of niet, ze zouden hebben gevochten. De Nederlanders beschouwden het als zelfmoord.'')

De Nederlanders hadden twee crisis-staven die elk verschillende dingen deden en elkaar niet op de hoogte hielden. ,,Stel je voor'', schrijft Moens, ,,dat de leiding van Dutchbat, de crisisstaf van het ministerie, de landmachttop en de VN-commandanten de verslechterde omstandigheden in juni onder ogen hadden gezien, en dat ze snel en gezamenlijk hadden besloten hoe ze zouden reageren op een eventuele Servische aanval. Stel je voor dat ze hadden besloten dat Dutchbat de eerste observatiepost die werd aangevallen fel zou verdedigen, met luchtsteun erbij. Dan hadden ze een plan gehad voor 6 juli (toen de Bosnische Serviërs de observatiepost aanvielen, red.). En misschien had het Bosnisch-Servische leger dan gedacht dat het te gevaarlijk was om de hele enclave aan te vallen om die ene doorgangsweg te veroveren.''