Hellegat

Is veldrijden een sport? Veldrijden is wielrennen tot het niet meer kan waarna de fiets op de schouder wordt genomen en men te voet verder gaat. Het doet denken aan een veerpontdienst op een Formule I-circuit. Maar er wordt melding van gemaakt in de krant, dus het moet een sport zijn.

`Verstoppertje spelen in het Hellegat', kopte mijn ochtendkrant. Het ging over veldrijden. Een week voor het wereldkampioenschap in het Italiaanse Monopoli werden twee favorieten voor de titel, te weten Richard Groenendaal (Nl) en Mario de Clerq (B), verweten uit psychologische overwegingen niet het achterste van hun tong te hebben laten zien in het Hellegat.

Het Hellegat ligt nabij Heerlen. De naam doet vermoeden dat het om een gedoogde tippelzone gaat, of om een gedoogde overslagplaats voor harddrugs. Of over verontruste buurtbewoners die het recht in eigen hand hebben genomen. Jammer, het Hellegat stelt teleur. Ook op sportief gebied: ,,Iedereen komt over de streep met een minimum aan modder in het gelaat. Door het uitblijven van de regen en door de nachtvorst, konden de renners rijden op een tamelijk harde, snelle omloop.'' Ik deel de teleurstelling van de verslaggever. Wie zich in een Hellegat begeeft, hoort er getekend uit te komen.

Ik was een begenadigd veldrijder. Toen ik veertien was, won ik twaalf van de twaalf veldritten. Ook al bereed en droeg ik een fiets die me drie maten te groot was. In die tijd stelde ik me nog niet de vraag of veldrijden een sport was of niet. Winst was winst.

Natuurlijk is veldrijden een anti-sport. Toen ik ouder werd, deed ik er aan als voorbereiding op het wegseizoen. Zeg maar als winterstop. Onvermijdelijk kwam ik wel eens terecht op de Zuid-Limburgse lössgronden, de naam Hellegat waardig. De veldritspecialisten hadden een team van vrijwilligers die zich met drie reservefietsen verdeelden over het parcours. Ik had maar één fiets bij me.

Ik herinner me die veldrit in het absolute Hellegat. Het had nogal geregend in de voorafgaande week. De löss was kleverig, en de löss begon zich vast te zetten op mijn rijwiel. Mijn rijwiel werd zwaarder en zwaarder terwijl de koers vorderde. Het ding was bijna niet meer te tillen. De löss begon zich te verzamelen tussen het pakketje achtertandwielen. De ketting begon als het ware in het luchtledige te tasten.

Het was eind januari en het was een dooie winter. Het woei fiks, en het gras was van een laffe, bleke groenheid. Ik werd gedubbeld door een veldrijder op een schone fiets. Hij fietste, ik liep.

De desillusie op het moment van passeren. Ik knikte door de knieën onder het gewicht van het volledig dichtgelopen rijwiel. Daar zat ik, ja daar zat op de bodem van het Hellegat. Met mijn handen schraapte ik de löss van het frame en ik begon er maar een poppetje van boetseren. Iets anders zat er in de geweldige stilte van die dooie winter niet op.

    • Peter Winnen