Voorhoeve hard, andere politici mild beoordeeld

Minister Voorhoeve, die naar eigen zeggen herhaaldelijk heeft overwogen om op te stappen in verband met `Srebrenica', krijgt stevige kritiek van de commissie te verduren.

Deze verwijt hem vooral ,,onvoldoende daadkrachtig'' te zijn opgetreden tegen generaal Couzy, de chef van de Koninklijke Landmacht. In dat opzicht oordeelt de commissie harder over Voorhoeve dan het NIOD deed. Dat onthield zich van een oordeel over het handelen van de minister van Defensie.

De problemen, waarvoor Voorhoeve zich vooral na de val van Srebrenica zag gesteld, vloeiden volgens de enquêtecommissie voor een belangrijk deel voort uit een gebrekkige informatievoorziening van de kant van de top van de Koninklijke Landmacht, met name van Couzy, met wie Voorhoeve een zeer stroeve verhouding had. ,,In zo'n situatie moet een minister een keuze maken; ofwel de bevelhebber wordt zodanig aangesproken dat de verhoudingen verbeteren, of hij wordt uit zijn functie gezet.'' De minister deed echter het een noch het ander. Het oordeel van de commissie is dan ook dat ,,Voorhoeve onvoldoende daadkrachtig heeft ingegrepen om Couzy op het goede spoor te zetten''.

Kritiek heeft de commissie voorts op de wijze waarop Voorhoeve de omstreden debriefing van de Dutchbatters in Assen ter hand nam. Op zijn aandringen bleef de debriefing vertrouwelijk om maar zoveel mogelijk informatie boven water te halen. Uiteindelijk werd veel informatie echter, met een beroep op diezelfde vertrouwelijkheid, voor hem achtergehouden. ,,De commissie is van mening dat de verantwoordelijkheid voor de opzet van de debriefing, met elkaar in de weg zittende doelstellingen, ligt bij minister Voorhoeve.''

Waardering voor Voorhoeve spreekt de commissie echter ook uit. Ze stelt dat de minister ,,adequaat'' handelde door zich in sommmige gevallen direct te bemoeien met de bevelvoering door UNPROFOR over Dutchbat. Wel constateert ze dat Voorhoeve's instructies niet altijd helder zijn overgekomen bij Dutchbat III. Dat gold bij voorbeeld voor zijn opdracht na de val van de moslim-enclave om niet mee te werken aan de scheiding van mannen en vrouwen op de compound in Potocari.

Ook de coördinatie met zijn collega Hans van Mierlo van Buitenlandse Zaken liep volgens de commissie over het algemeen soepel. Voorhoeve en de andere betrokken ministers hebben naar het oordeel van Bert Bakker en de zijnen na de val van Srebrenica hun verantwoordelijkheden eveneens ,,op een adequate wijze'' op elkaar afgestemd.