Vermijd in EU ruzie groot-klein

Het voorlopige eindpunt van de turbulentie die met de verkiezingen van mei vorig jaar over ons land kwam, viel samen met turbulentie in de twee hoofdkaders van onze buitenlandse politiek, het Atlantische en het Europese. Vorige week woensdag vond in de Atlantische Raad in Brussel een verhitte discussie plaats naar aanleiding van het Amerikaanse verzoek aan de NAVO om bij een mogelijke aanval op Irak steun van het bondgenootschap te krijgen. Het antwoord op dit verzoek is uitgesteld, maar het probleem hangt zwaar boven de markt.

Tegelijkertijd vond elders in hetzelfde Brussel een geanimeerde, zo niet van animositeit getuigende, discussie plaats in de Europese Conventie, die toekomstplannen voor de zich tot 25 lidstaten uitbreidende Europese Unie voorbereidt. De Nederlandse regeringsvertegenwoordiger in de Conventie, mr. Gijs de Vries, speelde in die discussie een vooraanstaande rol met zijn verzet tegen het Frans-Duitse plan om de EU met een voltijdse `president' op te tuigen, en kreeg veel kleinere lidstaten achter zich.

In het vaderlandse politieke discours lijkt nauwelijks plaats meer voor het besef dat wij als kiezers indirect ook politici aanwijzen die mede-bestuurders zijn van de Europese Unie en medevormgevers van het Atlantisch Bondgenootschap. In dat laatste kader is onze rol bescheiden, maar in de EU zijn onze ministers als leden van de Europese Raad van regeringsleiders, en van alle gewone Raden van ministers, voortdurend aan de bak. En nu is er dan de Conventie, bepalend voor de positie van een land als het onze in dat geheel.

Bij de vorige regeringsvorming is het belang van die Conventie totaal onderschat. Men liet twijfel bestaan over de positie van de nog onder Paars-II benoemde regeringsvertegenwoordiger Van Mierlo; hij werd tenslotte opgevolgd door De Vries (VVD). Ook nu is er gerede kans dat deze, partijpolitiek gezien, niet zal sporen met de nieuwe coalitie.

Het is te hopen dat niemand om die reden afbreuk zal willen doen aan zijn positie. De Vries is buitengewoon goed thuis in het Europese politieke milieu, spreekt alle nuttige talen vloeiend en geniet alom vertrouwen en gezag. Het gaat tenslotte niet om partijpolitiek, doch om het Nederlandse belang bij een evenwichtige uitbouw van Unie, te onzent algemeen geïnterpreteerd als het behoud en de versterking van de `communautaire methode': evenwicht tussen de Europese Commissie en de Raad van (nationale) ministers, met het Europese Parlement als medewetgever en censor van de Commissie, en het Europese Hof als rechtsprekende instantie.

Nu is de aandacht vrijwel uitsluitend gevallen op het Frans-Duitse voorstel om de Europese Raad van regeringsleiders een voltijds president voor vijf jaar te laten kiezen. Maar het voorstel bevat meer. Veel punten bepleiten versterking van de rol van de Europese Commissie, ook in het toezicht op het Stabiliteitspact. De president van de Commissie zou door het Europese Parlement worden gekozen, en zijn eigen Commissie samenstellen, goed te keuren door Parlement en Raad van ministers. Deze laatste besluit als regel met gekwalificeerde meerderheid, en dan is het Parlement altijd mede-wetgever: precies het Benelux-standpunt. Het voorstel om zelfs buitenlandse- en veiligheidspolitieke besluiten met gekwalificeerde meerderheid te laten nemen (behalve de inzet van militaire middelen) gaat verder dan de Nederlandse gedachten op dit terrein.

Nederland zou van deze voorzetten verstandig gebruik moeten maken. Vermijd in de onderhandelingen de nadelen van een voltijds externe president, maar houd niet per se vast aan een roulerend voorzitterschap. De `groten' hebben al geaccepteerd dat iedere lidstaat op een Commissaris van de eigen nationaliteit aanspraak mag maken. Dat impliceert een overgrote meerderheid van `kleinen', waar nu nog pariteit heerst.

Het sterkste tegenargument tegen een voltijds president is de onvermijdelijke wrijving met de Hoge Vertegenwoordiger voor het buitenlands- en veiligheidsbeleid. Die ziet in het Frans-Duitse voorstel zijn positie versterkt en zou bovendien de Raad voor buitenlandse en veiligheidszaken voorzitten. Om nog niet te spreken van de verhouding met de President van de Europese Commissie. Met zulk een rivaliteit en competentiestrijd is niemand gediend. Maar, zoals gezegd, dit is slechts één facet van de Frans-Duitse voorstellen.

Moge de Nederlandse politiek, acht maanden hoofdzakelijk naar binnen gekeerd, weer de nodige andacht opbrengen voor haar verantwoordelijkheden buiten eigen grenzen. De Europese Conventie is daar een forum bij uitstek voor. Opdat een steriele `groot/klein'- tegenstelling die de Europese praktijk eigenlijk nooit heeft beheerst de Conventie niet belemmert om tot een constructieve consensus te komen.

E.P. Wellenstein is oud-directeur generaal bij de Europese Gemeenschap.