Tosca rijgt de duivelse Scarpia aan het kruis

De Nationale Reisopera bezet de hoofdrollen in de nieuwe productie van Puccini's Tosca met drie opvallende Nederlandse solisten: een zeer expressieve Miranda van Kralingen in de titelrol, een riant zingende Frank van Aken als Cavaradossi en Nanco de Vries als een bijzonder geniepige Scarpia. De enscenering brengt de sfeer terug van de Tosca-voorstellingen die de Nederlandse Opera vanaf 1969 vele malen gaf. De schaarse naturalistische decorstukken – hekken in de kerk, een gouden Maria-altaar – staan hier net zo in de gitzwarte ruimte als destijds in de duistere enscenering van Lotfi Mansouri met Jan Derksen als een ruige, brute Scarpia.

Op een enkele uitzondering na lijken trouwens alle Tosca's op elkaar. Tosca kan nu eenmaal niet zonder de vaste elementen op de drie Romeinse locaties, ten tijde van de Napoleontische oorlogen: de schilderstellage in de kerk van San Andrea delle Valle, de souper- of schrijftafel in het het Palazzo Farnese en de executieplaats op de Engelenburcht.

Het bijzondere van de enscenering van de Venezolaan Carlos Wagner is dat hij aan Tosca een aantal nieuwe elementen toevoegt. Wagner doet zó vanzelfsprekend dat sommige zelfs klassiek lijken. Zo wordt de wrede politiechef Scarpia hier niet door Tosca vermoord met een mes of een briefopener, maar met een kruis, dat ze als een puntig zwaard in zijn rug plant. Het is hetzelfde kruis, dat de zo gelovige Tosca even eerder vasthield en toezong in haar aria Vissi d'arte. Vaak wordt Vissi d'arte gebracht als een wanhopige smeekbede om genade aan Scarpia. Maar de tekst richt zich uitsluitend tot God. En dát zien we hier.

De symboliek rond het doodskruis en de kruisdood is een onderdeel van een gecompliceerd mystiek, duister en demonisch geheel. Die angstaanjagende sfeer, de herlevende zwarte dagen van de inquisitie, wordt verbonden met Scarpia, die door Tosca wordt gekarakteriseerd als een duivel. Christus én deze duivelse Scarpia sterven beiden aan een kruis. Misschien is de gedachte van Wagner dat God en duivel keerzijden van elkaar zijn, dat kerk en satanisme niet buiten elkaar kunnen, dat hemel en hel slechts dankzij elkaar bestaan, dat onschuldige mensen het slachtoffer worden van de strijd om de wereld.

Aan het slot van de eerste acte, als Scarpia in de kerk zijn voorlopige overwinning viert met een Te Deum, zien we zo'n brandend kruis als waarmee de Ku Klux Klan onheil aankondigde. Scarpia blijkt een verzamelaar van kruisen. Hij heeft een hele collectie en met een daarvan steekt Tosca Scarpia neer.

In die tweede acte is Van Kralingen als Tosca op haar felst. Maar ze is ook cool en handig, ze is een vrouw die haar kracht ontleent aan haar grote gevoel. Ze is geen zwak zielig zangeresje. Ondanks de martelingen waaraan Scarpia haar minnaar Cavaradossi onderwerpt, behoudt de Tosca van Van Kralingen een beslissend wapen. Scarpia begeert haar en op het moment dat hij zich op het moment van zijn vermeende overwinning zwak toont, buit ze dat uit, gesterkt door haar gebed tot het kruis. Ze steekt Scarpia namens de Heer neer met dat kruis en geeft hem nog drie steken als hij niet snel genoeg sterft.

Het zingen van Van Kralingen heeft hier, maar ook elders, een enorme expressie, als van de getergde tijgerin die ze acterend uitbeeldt. Daarin toont ze zich, ondanks haar in feite lichte stemtype zó gedreven, dat het echt een fenomeen is. De normale esthetiek van perfect gereproduceerde noten uit de partituur en zuiver geïntoneerde zang is ze dan in haar zeer naturalistische krijsen ver voorbij. Zelfs de realistische kunst van het verismo maakt dan plaats voor puur dagelijks realisme dat zeer navoelbaar is. Na het bij de première ook niet vlekkeloze Vissi d'arte (`Ik heb geleefd voor de kunst') is Tosca's dood een dramaturgisch juweeltje. Ze springt door een fraai glas-in-lood-raam: door de kunst naar de dood.

Vergeleken bij de superieure statige verschijning van Van Kralingen als Tosca, is de Scarpia van Nanco de Vries fysiek een miezerige ambtenaar, al is hij een muis die nog heel hard kan brullen. Deze Scarpia weet dat hij op grond van zijn onooglijke persoonlijkheid nooit zelfs maar een blik van Tosca waard zou zijn. Zijn kleinheid en wreedaardige geniepigheid blaast hij tot onherkenbare proporties op. Tot hij door Tosca's kruis wordt lek geprikt en eindigt als een leeg ballonnetje. Zelfs Tosca is verbaasd: `En voor hem beefde heel Rome!'

Ook in de laatste acte komt Wagner met een zinvolle inventie. Angelotti, de ontsnapte politieke gevangene die we zagen in de eerste acte en die zelfmoord pleegde toen hij in handen dreigde te vallen van Scarpia, zien we hier terug als lijk, opgehangen op de Engelenburcht. Tosca had hem verraden toen haar minnaar Cavaradossi werd gemarteld. Cavaradossi wist het, maar het incident werd overspoeld door de gebeurtenissen.

In andere voorstellingen vormt het lot van Angelotti altijd een los eindje. Wagner corrigeert die slordigheid. Hier herinnert dat lijk van Angelotti aan het verraad van Tosca – snel vergeten in de euforie na haar moord op Scarpia. Angelotti's lijk verschaft Cavaradossi ook een extra wrange aanleiding voor het zingen van zijn zwaarmoedige E lucevan le stelle in het aangezicht van zijn eigen dood: `Nooit had ik het leven zó lief'.

Frank van Aken zingt en acteert een heerlijk exemplarische Cavaradossi: wat log om te zien, maar met moeiteloze stralende en opmerkelijk krachtige zang. Geen wonder dat op zijn aria Recondita armonia zilveren confetti neerdaalt. Oliver von Dohnányi zorgt met het luide Gelders Orkest met weinig omhaal en nuances voor een zeer directe sfeer, waaronder de suspense wel eens lijdt. Orkestraal, maar ook in het acteren van een aantal bijrollen, is dit de Tosca van de nogal grove basics.

Dat de kostumering de handeling verplaatst van 1800 naar de verder niet uitgewerkte Mussolini-jaren uit de vorige eeuw, is nog van het minste belang. Eerder situeerde de Nationale Reisopera Verdi's Aida veel pregnanter in de Mussolini-tijd. Er zijn nog allerlei kleinere nieuwigheidjes die soms de macabere voorstelling toch nog wat opfleuren. De derde acte wordt geopend met misdienaartjes die stiekem roken. Met het zingen van het liedje van de herdersjongen persifleren ze Tosca. Dan luiden ze de klokken onder leiding van de koster, wiens piepkleine rol zo nog leuk wordt uitgebreid.

Na haar moord op Scarpia steelt Tosca nog een stapel lires van Scarpia. Verrassend is ook dat Scarpia hier de afschrikwekkende rottweiler Django heeft. Wie de laatste Tosca zag van de Nederlandse Opera, waar Scarpia de vriendelijke kater Jaap had, moet wel denken deze Django Jaap heeft opgegeten.

Voorstelling: Tosca van G. Puccini door Nat. Reisopera en Gelders Orkest o.l.v. Oliver von Dohnányi. Decor en kostuums: Bob Bailey; regie: Carlos Wagner. Gezien: 24/1 Stadsschouwburg Utrecht. Tournee t/m 22/2. Inl.: (053) 4878500

    • Kasper Jansen