Olie is geen reden voor oorlog tegen Irak

In weerwil van wat velen denken speelt olie geen rol bij de Amerikaanse afweging om Irak aan te vallen. Op de wereldmarkt is olie inwisselbaar, net als de leveranciers, betoogt Thomas W. Lippman.

Het verzuim van de regering-Bush om een dwingende beweegreden voor een oorlog met Irak te formuleren, heeft voor de wereld een schadelijke bijwerking: het voedt de overtuiging dat zo'n conflict een `olie-oorlog' zou zijn, en dus een imperialistische manoeuvre in plaats van een veiligheidsoperatie.

Dit standpunt wordt breed gedragen in de Arabische wereld, waar in commentaren wordt gesteld dat de Verenigde Staten naast de instabiliteit in Venezuela ook instabiliteit in Saoedi-Arabië kunnen verwachten en daarom uitzien naar gegarandeerde olietoevoer van elders. Het bleek uit de spandoeken en leuzen van de anti-oorlogbetogers die afgelopen weekeinde naar Washington kwamen: `Geen bloed voor olie!' `Wij willen jullie olie-oorlog niet'.

De banden met de olie-industrie van president Bush en vice-president Cheney versterken de vermeende `oliedrijfveer'. Sommige aanhangers van de olietheorie verwijzen ook nog naar de `Carter-doctrine' uit 1980, waarin toenmalig president Jimmy Carter verklaarde dat de Verenigde Staten ,,met alle noodzakelijke middelen, met inbegrip van militair geweld' hun toegang tot de olie in de Perzische Golf zouden beschermen. Maar de Carter-doctrine werd ingegeven door de Sovjet-inval in Afghanistan en was gericht tegen krachten `van buiten', te weten Moskou; de doctrine sloeg niet op het bestuur van de Perzische-Golfstaten zelf.

Zelfs een vluchtige kennismaking met de realiteit van de wereldoliemarkt zou uitwijzen dat de theorie van de `olie-oorlog' een kritische analyse niet kan doorstaan. Zo'n oorlog strookt niet met de feiten. In het onwaarschijnlijke geval dat olie wel een rol speelt in het denken van de regering-Bush, is het een schijnargument dat het sturen van Amerikaanse troepen naar het slagveld niet rechtvaardigt.

Ten eerste zouden de Verenigde Staten zonodig hun toegang tot de olie uit Irak kunnen verruimen door de VN-Veiligheidsraad de economische sancties te laten opheffen die de Iraakse uitvoer beperken – dat maakt bloedvergieten overbodig. De Iraakse olie zou vrijelijk naar de wereldmarkt stromen, al getekende contracten met Russische en Europese maatschappijen zouden de Iraakse productie verhogen en als bijkomend voordeel zouden de prijzen dalen naarmate de toevoer stijgt.

Veronderstel het ergste in Saoedi-Arabië: militante anti-Amerikaanse extremisten grijpen de regeringsmacht. Zulke machthebbers zullen misschien weigeren rechtstreeks olie aan de Amerikaanse klanten te verkopen, maar het is hoogst onwaarschijnlijk dat ze niemand olie zal willen verkopen, want de overige inkomstenbronnen van het land zijn te verwaarlozen. Omdat de wereldoliestroom – zo'n 67 miljoen vaten per dag – op de wereldmarkt inwisselbaar is, zou de uitwerking van zo'n Saoedische actie tegen de Verenigde Staten minimaal zijn. Voor zover de Saoediërs hun olieverkoop naar klanten in Europa of Azië zouden verplaatsen, zouden die klanten geen olie meer kopen waar ze die nu vandaan halen, en zouden de Verenigde Staten hun Saoedische aankopen naar die andere leveranciers kunnen verplaatsen.

Misschien moet vanwege variaties in de kwaliteit van olie de raffinage aangepast worden, en misschien stijgen met de afstand de transportkosten, maar het effect zou draaglijk zijn.

Bovendien leert de geschiedenis dat zelfs landen waarvan de machthebbers ons vijandig gezind zijn, bereid zijn ons olie te verkopen omdat ze het geld nodig hebben.

Zelfs het Irak van Saddam Hussein verkoopt olie aan Amerikaanse afnemers in het kader van het `olie voor voedsel'-programma. Als de Verenigde Staten geen olie van Iran of van het Libië van Moammar Gaddafi kopen, dan komt dat doordat wij hen uitsluiten – niet doordat zij ons uitsluiten. Libië zou graag weer een olieband met de Verenigde Staten aangaan.

Ten slotte zou een Amerikaanse overname van Irak de Verenigde Staten op den duur geen gegarandeerde toegang tot de Iraakse olie bieden. Een democratisch Irak zou best kunnen besluiten dat zijn welvaart het meest gebaat is bij leveranties aan bijvoorbeeld China, inmiddels een olie-importeur met een snel groeiende vraag. De tijd dat industrielanden eigenaar werden van de olie in de producerende landen, ligt tientallen jaren achter ons. Omgekeerd zou een versplinterd Irak, verdeeld langs etnische breuklijnen, misschien wel eerder minder dan meer olie produceren dan het nu doet.

Naarmate de Amerikaanse troepenopbouw langs de grenzen van Irak sneller gaat, is de regering-Bush meer verplicht een oorlog overtuigend te rechtvaardigen.

Ook dient ze duidelijk te maken wat níet haar beweegredenen zijn.

Thomas W. Lippman is verbonden aan het Middle East Institute in Washington. © LAT-WP Newsservice