Nogmaals Srebrenica

Veel was er al over gezegd – en toch kon het boek niet dicht. `Srebrenica' gaat nooit meer voorbij. Vandaag heeft de parlementaire enquêtecommissie die onderzoek deed naar de val van de moslimenclave in juli 1995 en de Nederlandse betrokkenheid daarbij haar eindrapport uitgebracht. Ook deze commissie heeft weer uiterst nuttig werk verricht, al vielen de parlementaire verhoren van de hoofdrolspelers wat weg tegen het aanzwellende verkiezingsgeruis. In het politiek turbulente jaar 2002 buitelden de gebeurtenissen over elkaar heen. Het is alweer haast vergeten, maar het NIOD-rapport over Srebrenica leidde tot het ontslag van het kabinet-Kok. De ramp in de enclave werd toen in de boezem van het kabinet afgehandeld, hetgeen een politiek oordeel van de Tweede Kamer over het functioneren van de verantwoordelijken in de weg stond.

Maar 2002 was nog niet voorbij. Als de verhoren in december en het vandaag verschenen eindrapport één ding aantonen, dan is het wel dat over Srebrenica steeds weer andere, en belangwekkende, gezichtspunten kunnen worden belicht. En al was het laat, het was nodig dat de volksvertegenwoordiging een eigen onderzoek deed. Het was immers de Tweede Kamer die Dutchbat op zijn gedoemde missie zond. De politiek moest jaren wachten op het NIOD-rapport en toen dat kwam, voltrok de reactie erop zich voornamelijk in de beslotenheid van de Trêveszaal en voor de camera's bij de voordeur van het Binnenhof. Nu dan is het hoogste democratische gezag, na zich uitvoerig te hebben geïnformeerd, eindelijk aan het woord gekomen.

`Missie zonder vrede', het verslag van de enquêtecommissie, trekt een aantal interessante conclusies en doet aanbevelingen die de politiek van vandaag zich kan aantrekken. Personele consequenties zal het niet meer hebben, maar wat opvalt is het ,,onprofessionele en verwijtbare'' handelen van de toenmalige landmachtchef, Couzy. Temeer daar de oud-generaal tot nu toe steeds redelijk wegkwam – hoewel hij toch de hoogstverantwoordelijke militair was. Behartigenswaardig, maar niet nieuw, zijn de bevindingen over het onduidelijke en beperkte VN-mandaat, de zwaarte van de Dutchbat-bewapening, de luchtsteun die maar niet kwam en over de geringe rol die Nederland speelde in de internationale besluitvorming over Bosnië.

Politiek gezien is de hoofdles van de enquête dat de Tweede Kamer en het kabinet op de hoogte waren of konden zijn van de risico's van de missie naar Srebrenica – maar daar niet naar handelden. Parlement en kabinet hebben te veel gelijk opgelopen. Van onderscheiden verantwoordelijkheden was geen sprake; ze waren in ieder geval onvoldoende herkenbaar. Met andere woorden: de Tweede Kamer is aan haar controlerende taak in die dagen nauwelijks toegekomen. Dit feit, gevoegd bij de inconsistente rol van de betrokken ministeries van Buitenlandse Zaken en Defensie – die weinig met elkaar afstemden – vervolmaken het beeld van een land dat onder het mom van vredeshandhaving ten oorlog trok en zich dit politiek noch ambtelijk realiseerde.

Het weinig heroïsche gedrag van Dutchbat zal tot in lengte van dagen een punt van discussie blijven. Voor de moord op de moslimmannen van Srebrenica zijn de politieke en militaire leiders Karadzic en Mladic verantwoordelijk. Zij dienen zo snel mogelijk voor het tribunaal in Den Haag te worden gebracht. Maar de sfeer van politieke en ambtelijke gemakzucht in Nederland is snoeihard afgestraft en bevat een les voor heden. De besluiten over Srebrenica in het kabinet waren ,,incrementeel (aangroeiend) en fragmentarisch''. Een ,,integrale afweging'' om Dutchbat uit te zenden is door Kamer noch kabinet gemaakt. Met Nederlandse soldaten in Afghanistan en een dreigende oorlog in Irak, waarbij ook Nederland betrokken kan raken en waarover weinig `integraals' vanuit Den Haag wordt vernomen, is dat iets om over na te denken.