Investeer in menselijk kapitaal

Wie vitale diensten als onderwijs en zorg betaalbaar wil houden, moet investeren in menselijk kapitaal, dereguleren, en het profijtbeginsel versterken, menen Evert Jan van Asselt en Lans Bovenberg.

De econoom Jan Tinbergen analyseerde de inkomensverdeling als een race tussen technologie en onderwijs. Door de technische ontwikkeling wordt kennis belangrijker en ontstaat meer vraag naar hoger opgeleide werknemers. Naarmate die schaarser zijn, verdienen zij meer en nemen inkomensverschillen toe. Onderwijs voor brede lagen van de bevolking ondervangt dat.

De afgelopen decennia nam het opleidingsniveau sneller toe dan de kennisintensiteit. De inkomensongelijkheid nam daardoor af. Dat verandert nu: de vraag naar hoger opgeleiden overtreft het aanbod. Niet alleen wordt de economie kennisintensiever, ook de stijging van het opleidingsniveau vlakt af. De inkomensongelijkheid neemt dan ook al toe.

De vergrijzing geeft deze race een extra dimensie. Nederland onderhoudt zijn menselijk kapitaal slecht. Veel oudere werknemers voelen zich niet meer senang en verlaten het arbeidsproces. Dat is schadelijk, zeker nu de oudste babyboomers de 55 jaar reeds zijn gepasseerd en het aanbod van menselijk kapitaal toch al onder druk staat. Want schaarser menselijk kapitaal vergroot de inkomensverschillen. Een krappe arbeidsmarkt voor hoger opgeleiden gaat samen met een groeiende werkloosheid onder lager opgeleiden.

Schaarser menselijk kapitaal verhoogt de loonkosten, ook in de collectieve sector. Daar komt bij dat ook de groeiende particuliere welvaart de overheidsfinanciën onder druk zet. De welvarende middenklasse stelt immers steeds hogere eisen aan de kwaliteit van de publieke dienstverlening. Juist de diensten die belangrijk zijn voor het garanderen van gelijke kansen (zoals onderwijs en gezondheidszorg) gaan gebukt onder relatief hoge kostenstijgingen; het wassen van een bejaarde kan moeilijk efficiënter, maar de salarissen van verzorgers stijgen wel met het algehele welvaartsniveau. De kosten van onderwijs en zorg stijgen daardoor.

Voor lagere en middeninkomens is dat een hard gelag, zeker omdat deze groepen al tegen grotere inkomensachterstanden aankijken. De overheid kan deze kwetsbare groepen compenseren voor de hogere kosten. Maar gerichte compensaties verdiepen de armoedeval en bedreigen daarmee de werkgelegenheid juist aan de onderkant van de arbeidsmarkt.

Dit dilemma kan langs twee sporen worden verzacht. Het eerste spoor betreft een groter aanbod van menselijk kapitaal om de schaarste aan hoger opgeleiden te verminderen. Ook vergroot een beter onderhoud van het menselijk kapitaal van met name ouderen en vrouwen de arbeidsparticipatie. Dat vergt wel de nodige cultuur- en organisatieveranderingen in arbeidsorganisaties.

Het tweede spoor betreft het bezweren van de regelzucht in sectoren als onderwijs en gezondheidszorg.

De Haagse regelgeving verstikt innovatie en maatschappelijk ondernemerschap en daarmee de productiviteit in deze sectoren. Instellingen moeten kunnen functioneren zonder al te veel directe overheidsbemoeienis met de bedrijfsvoering. Een dynamische en creatieve werkomgeving is van vitaal belang voor het aantrekken van gemotiveerd personeel met het vereiste menselijk kapitaal.

Hierbij is een uitruil mogelijk tussen minder publieke regelgeving en minder publieke financiering. Privatisering van de kosten vraagt een grotere bijdrage vanaf de gegoede middenklasse. Zo kunnen het profijtbeginsel en het verzekeringskarakter worden versterkt.

In de zorg kan dat in de vorm van een nominale premie. Ook de woonkosten van de AWBZ kunnen meer bij de gebruikers worden gelegd. Verder kunnen de (externe) kosten van vervoer conform het profijtbeginsel bij de gebruikers in rekening worden gebracht. Om de toegankelijkheid van vitale diensten te waarborgen, zal de overheid minder draagkrachtigen financieel tegemoet moeten komen. Kosten neerleggen waar zij worden gemaakt en gerichte inkomensondersteuning zijn pijlers voor de uitruil tussen van overheidswege minder regelen en minder betalen. Mensen en hun instellingen komen zo weer zelf aan het roer te staan.

Wie de solidariteit in een moderne kennisintensieve samenleving wil behouden, zal moeten investeren in menselijk kapitaal, dereguleren en het profijtbeginsel dienen te versterken. Dan worden kosten van vitale diensten relatief laag gehouden en blijven deze diensten, eventueel met gerichte inkomensondersteuning, toegankelijk voor mensen met een smalle beurs.

Zo kunnen kwetsbare groepen gelijke kansen worden geboden en zijn in een vergrijzende samenleving goede zorg, onderwijs, huisvesting en vervoer het beste gewaarborgd.

Evert Jan van Asselt is medewerker van het Wetenschappelijk Instituut van het CDA. Lans Bovenberg is directeur van het Center for Economic Research (CentER) aan de Universiteit van Tilburg.