Ibsen

Of het nog helemaal zal goed komen tussen Henrik Johan Ibsen (1828-1906) en mij is zeer de vraag. Wat begon als een vonk van bewondering, is een grotendeels uitgedoofde sintel van verveling geworden.

Toen ik nog een puber was, opende een schoolvoorstelling van Ibsens drama Peer Gynt mijn ogen voor de schoonheid van toneel. Daarna zag ik als twintiger overtuigende versies van Het Poppenhuis en Hedda Gabler, maar sindsdien wil het niet meer.

Mijn tanende belangstelling probeerde ik een paar jaar geleden nieuw leven in te blazen met een bezoek aan het kleine museum dat in het centrum van Oslo aan Ibsen is gewijd. Het is een bezoekje waard, want veel in het appartement van Ibsen en zijn vrouw Suzannah is intact gelaten, inclusief een portret in zijn werkkamer van zijn vijand Strindberg.

Maar over het leven van Ibsen word je er niet veel wijzer. Zijn voorkeur voor zeer jonge vrouwen, die zijn huwelijk deed wankelen, wordt angstvallig verzwegen. Daarvoor moet je de biografie van Michael Meyer lezen die toen in Oslo overigens niet meer te krijgen was.

De afgelopen maand vermande ik mezelf twee keer. Wat was er mis met Ibsen? Kon ik me niet beter afvragen: wat was er mis met mij? En ik besloot het opnieuw te proberen via een bezoek aan twee nieuwe opvoeringen van Ibsens toneelstukken: John Gabriel Borkman (regie Mirjam Koen) en Hedda Gabler (regie Theu Boermans) in de Stadsschouwburg van Amsterdam.

Het kan aan de Stadsschouwburg gelegen hebben.

Dat is zo langzamerhand een volstrekt fossiel theater geworden, waar je met een beetje pech de hele avond om het achterhoofd van je voorbuurman probeert heen te loeren, terwijl je de adem van de achterbuurvrouw in je nek voelt. Daarbij is er vooral op de balkons zo weinig beenruimte dat je na drie uur als een zwaar geval van osteoartritis het pand verlaat. In plaats van een programma kunnen ze je bij de Stadsschouwburg vooraf beter een stok meegeven.

Het kan aan de opvoering gelegen hebben.

De regisseurs hadden voor een zeer verschillende benadering gekozen. Mirjam Koen liet John Gabriel Borkman in zijn oude waarde: ze gebruikte zelfs een vertaling uit het begin van de vorige eeuw. Boermans had Hedda Gabler gemoderniseerd en liet de spelers in hedendaagse taal met elkaar omgaan. Wat hij precies in de tekst veranderde, weet je als toeschouwer niet, maar ik neem aan dat Ibsen bijvoorbeeld de volgende dialoog, zijn liefde voor jonge vrouwen ten spijt, destijds niet heeft aangedurfd. Vrouw: ,,U kunt de tuin achterlangs verlaten.'' Man: ,,Ja, achterlangs, dat vind ik altijd heel opwindend.''

Het kan aan Ibsen gelegen hebben.

Misschien is hij wel een minder goede toneelschrijver dan de canon ons altijd heeft willen doen geloven. Tsjechow heeft nooit zoveel met hem op gehad, hij uitte zich doorgaans uiterst knorrig over Ibsen. ,,Ibsen kent het leven niet'', heeft hij eens gezegd, ,,in het leven gebeurt het zo niet.''

Het kan aan mij gelegen hebben.

Misschien ben ik te nuchter geworden voor de zielknijpende melodrama's van Ibsen. Ja, laten we het daar ook maar op houden. Overtuig u zelf en ga naar Ibsen.

    • Frits Abrahams