Filmparlement in debat

Meer dan 150 vertegenwoordigers van de filmwereld kruisten gisteren in Rotterdam de degens over het Europese subsidiesysteem.

Vijftien jaar geleden organiseerde het International Film Festival Rotterdam voor het eerst een parlement, waar de professionele festivalgasten in diergaarde Blijdorp vergaderden over de toekomst van wat toen nog de onafhankelijke cinema heette. Er is veel veranderd sindsdien; gisteren kwam het tweede Rotterdams filmparlement bijeen in De Doelen en de samenstelling van de populatie is drastisch veranderd. Bestond de vaste festivalcliëntèle in 1988 nog louter uit partizanen van een bepaald soort, met het Rotterdamse festival verwante films, die zich zo radicaal mogelijk uitten over de verdediging van hun belangen, nu trekt het Rotterdamse festival een brede dwarsdoorsnede van de internationale filmwereld aan.

Onder leiding van de Engelse producent Nik Powell debatteerden ruim 150 vertegenwoordigers van commercieel georiënteerde en meer idealistische mensen uit het filmvak over twee door het Rotterdamse festival geformuleerde moties. Beide werden aangenomen, maar na de ochtendsessie ontspon zich een nek-aan-nekrace tussen voor- en tegenstanders van de stelling dat het huidige Europese subsidiesysteem riskeert de totstandkoming van een `visionaire cinema' in de kiem te smoren. Waar vijftien jaar geleden bij unanimiteit zou zijn besloten, ondersteunden nu 82 aanwezigen de motie en keerden 79 zich tegen deze opvatting. Voor een deel omdat zij zich weinig kunnen voorstellen bij de, als alternatief voor het verouderde adjectief `onafhankelijk', nu `visionair' gedoopte cinema, voor een ander deel omdat zij eigenlijk dik tevreden zijn over het in Europa vigerende subsidiesysteem.

Sinds een aantal jaren trekt Rotterdam, vooral door de mede onder invloed van het vorige parlement tot stand gekomen coproductiemarkt (Cinemart) ook producenten en bureaucraten die geen enkele twijfel koesteren over de subsidiëringsmechanismen. Deze zijn gebaseerd op marktopvattingen, stimuleren de productie van films voor brede publieksgroepen en infecteren land na land in Europa. Zo maakte eerder dit weekeinde in Rotterdam het Nederlands Filmfonds de finesses bekend van de zogeheten recettebonus, een nieuw instrument dat met forse geldbedragen producenten van succesvolle films beloont. Vermoedelijk al in januari 2004 krijgen producenten van de drie films die gedurende het afgelopen jaar de hoogste bruto bioscooprecette van het voorafgaande jaar gegenereerd hebben, automatisch een bijdrage van minimaal 50.000 euro voor de scenario-ontwikkeling van hun eerstvolgende project. Om ook artistiek succes te bevorderen krijgen de producenten van de drie films die in hetzelfde jaar het grootste succes hebben behaald op internationale festivals of bij de Oscarnominaties hetzelfde bedrag. Uiteraard stemden de vertegenwoordigers van het Filmfonds in het Rotterdamse parlement tegen de stelling dat hun nieuwe subsidie-instrument de totstandkoming van `visionaire cinema' zou kunnen verstikken.

Ook in de middagsessie, gewijd aan de noodzaak van subsidiëring van de distributie van kunstzinnige films, kwamen veel tegenstanders aan het woord, veelal afkomstig uit het in dit opzicht klakkeloos de Amerikaanse marktopvattingen overnemende Verenigd Koninkrijk. Men zou zelfs kunnen volhouden dat het imiteren door het festival van enige aantrekkelijke eigenaardigheden van het Britse Lagerhuis, het als voertaal voorschrijven van het Engels en de bedrevenheid van Engelsen in het voeren van een debat, de gang van zaken in het Tweede Rotterdamse Filmparlement beslissend beïnvloedden. Juist daarom was het wèl amusant, wellicht meer dan de één richting op gekanaliseerde woede van het Blijdorpparlement in 1988.

Optimistisch geformuleerd zou je kunnen zeggen dat het Rotterdamse festival erin geslaagd is brede segmenten van de internationale filmgemeenschap aan zich te binden, ook degenen die nauwelijks gebaat zijn bij de totstandkoming van een `visionaire cinema'. Zij gebruiken een avant-gardistisch festival als het Rotterdamse als onderdeel van hun `Research & Development', en dat lijkt vooral uitgelegd te moeten worden als een verdienste van het festival.

    • Hans Beerekamp