Couzy hard, andere militairen mild beoordeeld

De commissie-Bakker velt een hard oordeel over generaal Hans Couzy.

Couzy speelde als chef van de Koninklijke Landmacht zowel voor als na het drama in Srebrenica een centrale rol. Net als het NIOD heeft ook de enquêtecommissie veel kritiek op de wijze waarop Couzy zijn taak vervulde. Die kritiek geldt bovenal de wijze waarop hij minister van Defensie Voorhoeve, met wie hij een zeer stroeve relatie had, van informatie voorzag over tal van gevoelige kwesties rond `Srebrenica'.

,,De commissie is van mening dat Couzy als bevelhebber van de Koninklijke Landmacht te weinig moeite heeft gedaan om de minister tijdig en volledig te informeren. De loyaliteit van Couzy lag meer bij de KL dan bij de minister. De nadruk op de loyaliteit voor de KL is naar de mening van de commissie onprofessioneel en verwijtbaar voor de bevelhebber van de KL, die ook een Defensiebrede rol moet vervullen.''

Al meteen na de val van Srebrenica, toen de Dutchbat-militairen in Zagreb werden ondervraagd, ging het mis tussen Couzy en Voorhoeve. ,,De commissie is van mening dat generaal Couzy de minister onvoldoende op de hoogte heeft gesteld van de informatie over de mogelijke oorlogsmisdaden die hij had gekregen tijdens de debriefings in Zagreb.'' Door het ontbreken van deze informatie is de minister later onnodig in politieke problemen gekomen, stelt de commissie.

Ook hekelt Bakker het besluit de manschappen niet eerst grondig te debriefen na terugkeer in Nederland. ,,De commissie is van mening dat het besluit van generaal Couzy om Dutchbat III zes weken op verlof te sturen heeft geleid tot een te late start van de debriefing.''

Wel wordt Couzy in bescherming genomen waar het gaat om het verloop van de debriefing in Assen, die leidde tot het summiere en veel bekritiseerde Debriefingsrapport. Niet Couzy, maar Voorhoeve en generaal Van der Wind bepaalden de gang van zaken.

Anders dan het NIOD hanteert de commissie ook in het geval van Couzy nadrukkelijk niet de beladen term `onwil' ten aanzien van de informatieverstrekking aan de minister.