Zonder beeld is alles veel mooier en spannender

Waarom kan een saaie voetbalwedstrijd op tv, op de radio uitgroeien tot een opwindende gebeurtenis? Omdat het tekort aan beeld leidt tot een grotere betrokkenheid. En dus intimiteit.

Het was laat en ik dwaalde bij wijze van avondwandeling langs de zenders van de kabelradio. Een vagelijk bekende vrouwenstem vormde zinnen, die weliswaar Nederlands leken, maar een bizar idioom bezigden. `Voordat je gaat kun je jezelf ook afsluiten in een vorm, bijvoorbeeld een piramide of een glazen bol. Je kunt ook zeggen: ik zet mij in een kleur, door die in stilte aan je hogere zelf te vragen en die dan te dragen als je erheen gaat'.

Mijn radiogevoeligheid bedwelmde me. Een uur lang luisterde ik naar wat Yomanda op Radio 192 bleek te zijn. Natuurlijk wist ik van Yomanda's bestaan. Van haar gekkigheid. Ik wist ook dat ze een soort volksheilige was, die in gemeenschapshuizen op het platteland massagenezingen verrichtte. Maar krant of televisie hadden nooit kunnen overbrengen hoe het voelt om deel uit te maken van haar beweging.

Door de beslotenheid van haar eigen programma, door de ononderbroken stroom Yomanda-speak, door de stemmen van de wanhopige bellers die haar – `Jij bent de bron, Yomanda!' – om raad vroegen. Ik zat samen met de zieken en vertwijfelden aan de radio gekluisterd, te wachten tot het glas water dat ik voor de luidspreker had neergezet door Yomanda was ingestraald. Twee slokjes voor het slapen gaan, was het advies, of een vochtig gemaakt lapje tien minuten op de pijnlijke plek. De dwáng achter die aanmatigende woorden, verstopt in een nederig zalvende stem!

Radio is een intiem medium, zo heet het. Maar wat is dat voor vreemde intimiteit? Waardoor wordt ze opgewekt? Volgens mij heeft het niet zoveel te maken met de aard van de radiostemmen of de nostalgie naar die knusse, besloten en overzichtelijke wereld van de verzuilde radio die tot diep in de jaren zestig heeft bestaan. We moeten het eerder zoeken in de heerschappij van ons gezichtsvermogen over ons denken.

Onze ogen leveren de informatie die voorrang heeft in ons bewustzijn. Ogen kunnen we op commando openen en sluiten, we kunnen ze richten en ze werken alleen aan onze voorkant. We zijn er op aangewezen als we door de ruimte onze weg zoeken. Overzicht, doelgericht bewegen, kiezen, dat zijn de woorden die de macht van het oog typeren. Onze andere zintuigen beïnvloeden ons misschien even indringend, maar ze doen dat achter onze rug om, zonder aandacht op te eisen.

Daarom zijn beeldschermen ook zo dwingend. Televisie, de combinatie van bewegend beeld en geluid, lijkt bovendien een volledige weergave van aanwezigheid-op-afstand. Ze wekt de schijn dat we ernaar kunnen kijken zoals we naar de wereld zonder media kijken. Radio is een opzichtig gemankeerd massamedium. Radio maakt iets op afstand aanwezig, dat we niet kunnen zien. Het dominante zintuig valt weg. De radio maakt ons weliswaar helderhorend, maar ziende blind.

Het loskoppelen van gezicht en gehoor is iets dat ons zenuwstelsel niet goed verdraagt. Er gaat een alarmbelletje af. Het zintuigelijke vacuüm dat er ontstaat is provocerend, het mobiliseert onze aandacht. We zijn eraan gewend dat onze ogen onze aandacht sturen en dus wekt radioluisteren een tekort op. Sensorisch gesproken is het radiosignaal niet compleet, we hebben de neiging het tekort goed te maken. Dat doen we door de stemmen en geluiden te `lezen', we stellen ons er ruimtes, gezichten, landschappen, lichamen bij voor. Dat gebeurt snel, incompleet, ongewild en in wisselende intensiteit. Die compenserende activiteit van ons voorstellingsvermogen is een lichamelijke reflex. We kunnen hem bewust versterken, maar ook als we daar geen moeite voor doen ondergaan we de uitwerking ervan. Daarom kan een saaie voetbalwedstrijd op tv, op de radio uitgroeien tot een opwindende gebeurtenis.

Wat de intimiteit van de radio heet, of `het radiogevoel', berust dus op die zintuigelijk-mentale medeplichtigheid die onwillekeurig wordt opgewekt door de ontregelende afwezigheid van bijbehorende visuele prikkels. We staan in onze eigen omgeving, we kunnen er vrij in bewegen, we kunnen koken, schilderen, vrijen, vissen, hardlopen, baden en vliegeren en toch is er een andere wereld in ons aanwezig. Wat de radio ons – in tegenstelling tot de televisie – brengt, staat niet tegenover ons. Het omsluit ons, het bestaat in de beleving van ons door de ogen overheerste brein. Niet de radio, maar wijzelf, ons lijf, belichamen de geluiden en boodschappen uit de verte.

Geen wonder dat de herkenning van de stem en tune van de eigen omroep vroeger zoveel warmte opriep: de luisteraars stelden zich voor wat er ontbrak zoals zij zich dat wensten. Die activiteit van het voorstellingsvermogen wekt een grote emotionele betrokkenheid op, vergelijkbaar met de teleurstelling bij het zien van een boekverfilming. Geen acteur kan tippen aan het in eigen hoofd tot leven gewekte personage.

Het zintuigelijk tekort verklaart de medeplichtigheid van de luisteraar. En die actieve betrokkenheid verklaart de intimiteit of zelfs warmte die uit de radio lijkt te komen. De combinatie van intimiteit en het contact op afstand heeft een krachtig effect, het geeft mensen het gevoel dat ze ergens deel aan hebben of deel van uitmaken. Een goed voorbeeld hiervan is de sterke emotionele betrokkenheid van jonge luisteraars, veertig jaar geleden, bij muziekzenders die `hun' muziek uitzonden: Radio Luxemburg en de piraten Radio London en Radio Veronica. Zo'n binding is bij een televisiezender onwaarschijnlijk.

Het radiogevoel is dus niet alleen maar een zintuigelijk-mentale wisselwerking tussen radiotoestel en het lichaam van de luisteraar. Het radiogevoel bestaat uit de combinatie van intimiteit en betrokkenheid bij of zelfs deelachtigheid aan een situatie of een groep mensen ver weg. De geluiden van verre verhevigen en kleuren de verlangens naar verre oorden. Ze vergroten de binnenruimte van de luisteraar.

Luisteraars zijn de medescheppers van het radiosignaal, ze maken het af naar eigen voorstelling. Dat geeft de radio het vermogen een trouwe maar verspreide gemeenschap aan zich te binden. Een radiostation is een openbare mediaruimte, waarin mensen in het zendgebied tegelijkertijd de tijd in een bepaalde stijl, met behulp van bepaalde muziek, informatie en vermaak kunnen laten verstrijken. Wie leeft in het zendgebied kan de uitzendingen banaal, weerzinwekkend of irritant vinden, maar als het goed is heeft iedere stad, iedere streek en ieder land een veelvoud aan sterk van elkaar verschillende radiozenders – net zoals er cafés, restaurants, theaters en concertpodia zijn van verschillende signatuur.

De kracht van radio berust in die verbinding tussen zendgebied, gelijktijdigheid voor iedereen (eenheid van ruimte en tijd) en de versmelting van intimiteit en aanwezigheid op afstand. Met die kracht is veel meer merkwaardigs, prikkelends en ontroerends te scheppen dan nu het geval is. Met digitale etherradio is het straks mogelijk het aantal landelijke zenders te verdubbelen. Waarom zien wij dat niet als een uitdaging om radio te creëren ver voorbij de vormen van Sky en Hilversum?

Waarom ziet de overheid radio niet als cultuurruimte, die ze samen met creatieve burgers helpt ontginnen? Het kost misschien enkele tientallen miljoenen euro's extra. Maar dan moet de snelweg maar een stukje korter. Het is goed radioluisteren in de file.

    • Dirk van Weelden