Wereld van Jacques Tati liefdevol nagebouwd

Het ís Tati. Het ís Playtime. De monteur zit op zijn hurken naast de garage en houdt de auto in zijn hand. Een Amerikaan is het, rond, glanzend, de carrosserie schreeuwend groen, het dak felrood, en een van de verchroomde wieldoppen valt op de grond.

Dit is, dit was, dit had moeten zijn het glorieuze hoogtepunt van de tentoonstelling Tatirama in het Nederlands Architectuurinstituut, die gisteren werd geopend in de marge van het Film Festival Rotterdam. De auto hoort bij de maquette van Villa Arpel, het hypermoderne huis uit Tati's film Mon Oncle. Het is nog altijd een mooi stuk, schaal 1 op 10, dat in een bovenzaal van het NAi staat. De kubistische villa, de volautomatische keuken, de vlinderstoeltjes in sixties-design, de gesegmenteerde tuin met het slingerpad, de tegels waar Monsieur Hulot overheen balanceert, de dolfijnfontein die alleen spuit voor gasten die ertoe doen – het is allemaal met liefde nagebouwd. Inclusief snufjes. Met één druk op de knop kun je de ronde ramen laten `loensen', het hek openklappen, voetstappen horen of het teckeltje door een elektronisch `oog' laten lopen zodat de garagedeur open gaat. Gisteren kon je alleen nog zijn geblaf horen. ,,Ze hebben aan het hondje zitten rukken'', zegt de monteur mismoedig.

Wandpanelen, knopjes en snufjes die het niet doen – de monteur zag er zelf de grap niet van in, maar hij was helemaal in de wereld van Tati verzeild geraakt. De Franse filmer Jacques Tati (geboren als Tatischeff, 1909, met een Nederlandse moeder en Frans-Russische vader) heeft zijn hele, kleine oeuvre geworsteld met dingen. En vooral met nieuwe dingen, met de gemakken die de moderne mens moeten dienen. De vijf speelfilms die hij maakte tussen 1948 en 1971 omspannen de jaren die de Fransen de Trente glorieuses noemen, waarin het land de sprong maakte van een agrarische samenleving naar een gemoderniseerde grotestadsmaatschappij.

Je zou kunnen zeggen dat Tati die revolutie tot zijn thema maakte, maar hij filmde te licht om er zulke zware noties aan te hangen. Zijn films zijn burleske komedies, gebaseerd op heel precieze observaties van het dagelijks leven, waarin hij zag hoe bochtige Bijlmerflats werden opgetrokken in de voorsteden, hoe elke dag 5.000 Franse auto's van de lopende band kwamen en de mensen massaal de wereld van de vrije tijd ontdekten. Tati ging die ontwikkelingen te lijf met een subtiel gevoel voor humor, dat dicht aanligt tegen dat van stomme-filmpioniers als Buster Keaton en Charlie Chaplin.

Zeker in Mon Oncle ('58) en Playtime ('67) is de omgeving even belangrijk als de personages – ook dat is helemaal stomme film. Voor de laatste film trok Tati samen met zijn vaste medebedenker Jacques Lagrange een complete stadswijk op ten oosten van Parijs, met glazen reuzengebouwen waarvan je in het begin niet weet of het een ziekenhuis, een kantoor of een vliegveld is. Er kan geen schemerlamp in beeld komen of er wordt mee geworsteld. Auto's draaien als knorrende beesten rondjes op de rotonde. De Villa Arpel is wel hypermodern, maar loenst 's nachts als een mens en de snufjes laten zich niet zomaar door de mensen commanderen.

De tentoonstelling in het NAi – misschien een groot woord voor een gang met tekeningen en een zaal met filmdoeken, tv's en een maquette – geeft Tati's humor de onvermijdelijke looiigheid van filmexegese mee. Tegen de muur hangen tl-buizen met citaten van de modernistische architect Le Corbusier (,,Er moet een ontspanningsprogramma worden opgesteld waarin allerlei activiteiten worden opgenomen'').

Zo lijkt het of de films van Tati als weemoedig protest tegen de moderne samenleving moet worden opgevat. Dat is niet zo, dat weten de tentoonstellingsmakers ook en het staat op een tekstbordje, maar de opstelling weerspreekt dat toch.

Tentoonstelling: Tatirama. T/m 27 april in het Nederlands Architectuur Instituut, Museumpark 25, Rotterdam. Open di t/m za 10-17u, zo 11-17u. Inl: 010-4401200 of www.nai.nl.

Op 13-2 houdt François Penz (Cambridge University) in het NAi een lezing over de architectuur in Tati's films. Zie ook www.tativille.com.

    • Bas Blokker