Van propagandamiddel tot informatieleverancier

Radio is het enige medium dat een vaste plek heeft veroverd in het leven van de gewone Afrikaan, die het liefst naar muziek en talkshows luistert.

Zonder de radio had Senegal misschien nog altijd dezelfde president gehad als degene die in maart 2000 al 19 jaar aan de macht was. De verkiezingen van dat jaar waren de spannendste uit de geschiedenis van het West-Afrikaanse land. Talloos veel mensen hoopten op een politieke omwenteling. Zou president Abdou Diouf blijven zitten of kon de eeuwige oppositiekandidaat Abdoulaye Wade eindelijk het roer overnemen?

Zoals gebruikelijk in Afrika kwam ook die zondagmiddag de geruchtenmachine op gang. Huurmoordenaars zouden een staatsgreep voorbereiden, Diouf had de stembussen van tevoren laten vullen. Maar de radio was er als eerste bij om de geruchten te ontzenuwen. Presentatoren maanden de bevolking tot kalmte. Incidenten kregen geen kans uit de hand te lopen. Overal in het land stonden journalisten bij de stembureaus paraat met een mobiele telefoon. De voorlopige resultaten werden direct doorgebeld naar commerciële radiozenders. Aan het einde van de dag was geen twijfel meer mogelijk: Abdoulaye Wade had zijn rivaal verslagen.

,,De omwenteling was te danken aan de duizenden burgers die hun stem uitbrachten'', zei de directeur van Sud FM, dat in 1994 doorbrak als eerste commerciële radiostation van Senegal. ,,We moeten de rol die radio heeft gespeeld, niet overdrijven.'' Maar de laatste Senegalese presidentsverkiezingen tonen dat het belang van radio in Afrika moeilijk overschat kan worden. Op een continent waar analfabetisme een fact of life is, elektriciteit een luxe en persvrijheid eerder uitzondering dan regel, biedt radio datgene waarin andere media tekort schieten: nieuws en amusement.

Radio is het enige medium dat een vaste plek heeft veroverd in het leven van de gewone Afrikaan. Tot in de meest afgelegen gehuchten, in de woestijn of op duizenden kilometers van de hoofdstad, ontmoet je dorpelingen die hun zakradiootje tevoorschijn halen, de antenne uitschuiven en het apparaat tegen hun oor klemmen om geïnformeerd te worden over een koeienkwaal of de naderende oorlog tegen Irak. In dorpen waar de dorpsoudsten nog onder de boom bijeenkomen om te praten, neemt de radio vaak een centrale plaats in, ergens op de grond tegen de stam: het lijntje met de buitenwereld.

Net als tijdens de opkomst van het internet in de jaren negentig dachten hulporganisaties, de UNESCO voorop, eind jaren zestig dat een brede verspreiding van het medium grote sociale veranderingen teweeg zou brengen. Er werden allerlei – in westerse ogen nuttige – mediaprojecten opgezet die het sluimerende politieke bewustzijn van Afrikanen moesten wekken. Maar je kunt mensen van alles vertellen, of ze naar je luisteren is een tweede. Bovendien hadden veel Afrikaanse leiders al eerder bedacht dat de radio bij uitstek geschikt was als propagandamiddel. Radio bleek ideaal voor het inpeperen van nationalistische boodschappen en de integrale uitzending van de toespraak van de president. In de meeste Afrikaanse landen kwam pas begin jaren negentig een einde aan het staatsmonopolie op de ether. Tot die tijd was nationale radio saai, partijdig, demagogisch of opvoedkundig van toon en vrijwel ontoegankelijk voor oppositiegeluiden. De enige zenders die de greep van de staat op het nieuws doorbraken, waren buitenlandse zenders - soms van net over de grens, maar meestal internationaal, zoals de African Service van de BBC, Radio France Internationale (RFI), de Egyptische radio ten tijde van Nasser en Voice of America. De liberalisering van de ether wordt dan ook deels toegeschreven aan de invloed van buitenlandse media.

Die invloed was en is nog steeds heel groot. In veel landen is de voertaal Engels of Frans. Zoals de BBC dagelijks te horen is in Kenya, Zambia en Ghana, zo luistert driekwart van de hoger opgeleiden in Ivoorkust, Gabon en Senegal naar de Franse wereldomroep. RFI bereikt meer dan twintig landen in Afrika, het merendeel via de korte golf, in sommige hoofdsteden via FM. RFI brengt nieuws waarover plaatselijke journalisten geen beschikking hebben. ,,We zijn zozeer verankerd in het Afrikaanse medialandschap dat we bijna als een lokale zender worden beschouwd'', zegt Jérôme Bouvier, hoofd van de redactie Afrika in Parijs. ,,Maar we zien onszelf niet als een concurrent van lokale media; we vullen ze eerder aan. Onze luisteraars willen weten wat er in de rest van de wereld gebeurt en dat is informatie die lokale stations niet kunnen bieden.''

Toch vermoeden veel Afrikanen in RFI een verlengstuk van de Franse regering. En juist daarom zijn ze extra nieuwsgierig naar berichtgeving over hun eigen land. Die mag dan stukken objectiever zijn dan de kletspraat die sommige nationale zenders uitzenden, RFI is de zondebok zodra ergens een oorlog uitbreekt. In Ivoorkust, waar de ontvangst van de BBC African Service en RFI sinds september is gestoord, dreigen aanhangers van de president de Franse RFI-verslaggeefster te grazen te nemen. Ze zou partij hebben gekozen door de oppositie aan het woord te laten. Iedereen kent haar naam.

In het kielzog van de buitenlandse zenders heeft commerciële radio de afgelopen tien jaar voet aan de grond gekregen. In 1991 werd het aantal radiostations in privé-handen geschat op ongeveer twintig. Nu moeten het er honderden zijn - maar bij gebrek aan statistische gegevens, onafhankelijke audiovisuele organisaties en een duidelijke scheiding tussen privé en publiek is het overzicht zoek. Veel regeringen blijven terughoudend met het volledig vrijgeven van de ether. Burkina Faso, Mali, Namibië en Zuid-Afrika zijn positieve uitzonderingen. Lokale radio zendt meestal uit in een lokale taal en is razend populair onder de plattelandsbevolking. Maar meer media betekent niet automatisch meer ruimte voor politieke discussie. Zelfcensuur blijft noodzakelijk. Meer radio betekent dus vooral meer amusement. Muziek en talkshows, dat horen de luisteraars het liefst. In Tsjaad bestaat een programma waarin in de steek gelaten vrouwen oproepen kunnen doen aan hun spoorloos verdwenen echtgenoten: ,,Hoor ik binnen een week niets van je, dan zijn we officieel gescheiden.''

Het bekendste voorbeeld van de invloed die radio in Afrika kan hebben is tegelijkertijd het meest afschrikwekkende. Volgens de aanklagers van het Rwanda-tribunaal zette Radio Mille Collines in 1994 duizenden Hutu's aan tot de slachting van Tutsi's. De graven met de lichamen van Tutsi's waren nog maar halfvol, riep de zender toen de genocide goed en wel op gang was gekomen: snel, de rest moet ook dood!

Desondanks is de snelle toename van het aantal privé-radiostations een hoopgevend teken van democratisering. Zoals de Franse mediadeskundige André Jean Tudesq schrijft: uiteindelijk doet het aantal luisteraars er minder toe dan de vraag of er überhaupt een publiek is. Want radio-trottoir - de onfeilbare Afrikaanse geruchtenmachine - doet de rest.

    • Pauline Bax