Uitsterven

In de wetenschapsbijlage van 11 januari wordt de hypothese van John Grotzinger besproken door A.J. van Loon. Deze hypothese betreft de evolutionaire `sprong van (inmiddels uitgestorven) micro-organismen naar de nu bekende fyla, die voor het eerst in de evolutionaire geschiedenis levensvormen met skeletten omvatte. Deze sprong zou veroorzaakt zijn door een plotseling gebrek aan zuurstof in een afgesloten zee. Daardoor stierven oude vormen uit en kregen reeds aanwezige vormen een kans uit te gedijen.

Dit is een interessante hypothese, maar al snel gaat het ontbreken van essentiële schakels in de redenatie opvallen. Het is niet duidelijk of dit een gebrek is in de theorie van Grotzinger, of een veronachtzaming van essentiële details door de samenvatter.

Ten eerste is niet duidelijk waarom de eerst overheersende vormen uitstierven en de later opbloeiende levensvormen niet. Er wordt een vergelijking getrokken met het uitsterven van dinosaurussen en de daaropvolgende opkomst van zoogdieren. Men kan zich een voorstelling maken hoe in een bar klimaat met een waarschijnlijk arme plantengroei en een gering aantal prooidieren, reuzenreptielen uitstierven. Maar waarop is de selectie bij het begin van het Phanerozoicum gebaseerd?

Ten tweede zou de overgang zich hebben afgespeeld in een afgesloten zee. Daarmee is niet het uitsterven van dezelfde levensvormen, noch de uitbreiding van de nieuwe levensvormen in andere zeeën verklaard.

    • Dr. Bert Garssen
    • Helen Dowling Instituut Utrecht