Taboes

P olitici bieden tegen elkaar op waar het gaat om sancties tegen oud- en nieuwkomers voor het geval ze de Nederlandse taal niet leren. Verplicht de taal leren op straffe van korten op uitkeringen of terugsturen. Maar wie verdienen in wezen de grootste straf? Degenen die dit alles zo zelfgenoegzaam van de daken schreeuwen, die politici zelf dus, want waar halen ze die brutaliteit vandaan? Nooit hebben ze er een cent voor over gehad om dat probleem op te lossen. Maar nog veel erger is dat die politici niet eens in staat blijken te zijn om te voorkomen dat allochtone kinderen die in Nederland opgroeien straks hetzelfde overkomt. Of krijgen die daar over 30 jaar ook zelf de schuld van en worden die dan ook gedreigd met korten en terugsturen?

Laten we, zou ik zeggen, daar dus eerst al onze aandacht op richten. Dus de voorwaarden scheppen dat kinderen die in Nederland opgroeien de Nederlandse taal leren. Veel allochtone ouders doen hun best om dat te realiseren. Die beseffen dat de taal de sleutel is tot een behoorlijke plek in de maatschappij. Dus sturen ze hun kinderen naar een school waar ze gedwongen worden Nederlands te spreken. Hoe? Door ze te doen op een school, vaak ver uit de eigen buurt, waar hun klasgenootjes dat ook doen.

Veel ouders doen dat niet. Die sturen hun kind naar de dichtstbijzijnde school die dezelfde samenstelling kent als de homogene wijk waar zij wonen. Met als gevolg dat Nederland al meer dan 80 mono-etnische scholen kent. Wethouder Heijnen van Den Haag stelde vorige week in deze krant voor om scholen waar meer dan 50% van de kinderen één taalachtergrond heeft, op te heffen, want op die scholen zijn de onderwijsachterstanden het grootst.

Heijnen heeft natuurlijk gelijk dat we niet werkeloos mogen toezien hoe deze kinderen al op jonge leeftijd de kans op een behoorlijke toekomst wordt ontnomen. Toch zou ik de voorkeur geven aan een andere benadering.

Omdat kennis van de Nederlandse taal de sleutel vormt voor succes op school dient de overheid ervoor te zorgen dat alle kinderen in een situatie worden gebracht waardoor ze niet anders kunnen dan de Nederlandse taal leren. Maar al die kinderen verplicht sturen naar witte scholen, dat kan natuurlijk niet, want de meerderheid van de jongeren in de grote steden is van allochtone afkomst. Spreiding van allochtone leerlingen over witte scholen is in de huidige situatie dan ook al lang achterhaald. Uitgangspunt van spreidingsbeleid dient daarom te zijn: de ene allochtoon is de andere niet. Er zijn allochtonen die opgroeien met de Nederlandse taal, terwijl andere pas met die taal kennis maken als ze naar school gaan. Omdat in het onderwijs het leren van de taal centraal staat, dient het onderwijsbeleid erop gericht te zijn de daartoe noodzakelijke voorwaarden te scheppen. Daar moeten we dus ook onze spreidingscriteria aan ontlenen: aan de taal en niet aan de etnische herkomst. Zo'n criterium zou bij voorbeeld kunnen zijn dat in een bepaalde klas nooit meer dan twee leerlingen mogen zitten die van huis uit dezelfde niet-Nederlandse taal, bijvoorbeeld Turks of Berbers, spreken.

Scholen moeten dus het recht hebben leerlingen te weigeren op grond van de taal waarmee ze zijn opgevoed, met als oogmerk dat in de onderlinge communicatie in de klas alle leerlingen gedwongen worden zich te redden in één en dezelfde gemeenschappelijke taal: het Nederlands. Om dit te realiseren is het noodzakelijk enkele taboes te doorbreken, maar ik verbreek liever taboes rond toelating dan taboes rond korten en terugsturen.

prick@nrc.nl

    • Leo Prick