Stommetje spelen

De verkiezingsuitslag van woensdag wordt verschillend uitgelegd. Volgens de één zijn de politieke verhoudingen weer als in 1998, volgens de ander is de onvrede achter de LPF zeker niet verdwenen. Maar twee dingen staan vast: de kiezers zijn op drift en politiek is iets dat zich op tv afspeelt.

`We zijn terug bij de politieke verhoudingen van 1998'', zegt de Leidse politicoloog Joop van Holsteyn over de Kamerverkiezingen van woensdag.

Onzin, zegt de cultuursocioloog Gabriël van den Brink. ,,De onvrede is gebleven maar niet tot uiting gekomen in de verkiezingsuitslag.''

,,Het anti-establishmentgevoel zie je nog steeds. Men kiest de kandidaat zonder stropdas'', zegt Martijn Lampert verzoenend. Hij is onderzoeksleider van het Amsterdamse onderzoeksbureau Motivaction. Hij duidt op de snel gegroeide populariteit van PvdA-leider Wouter Bos.

Eén verkiezingsuitslag, drie lezingen.

Vergeleken met de revolutie van vorig jaar doen de nieuwe politieke verhoudingen, na de verkiezingen van deze week, vertrouwd, haast ouderwets aan: CDA (44 zetels) en PvdA (42) zijn weer de grootste partijen, VVD is derde, met 28, op respectabele achterstand, en dan volgt nog een stel kleintjes, dit keer aangevoerd door SP, met negen. Voormalig nieuwkomer LPF heeft nog maar acht zetels.

Niettemin zijn er vragen. Welke analyticus heeft gelijk? Is alles weer normaal? Is de onvrede verdwenen? Of sterker nog, zat die onvrede nooit zo diep? Welke conclusies moeten politici trekken uit de gebeurtenissen van het voorbije jaar?

Sinds twintig jaar is er een Nationaal Kiezersonderzoek (NKO). Joop van Holsteyn voert vanuit de Universiteit Leiden de directie over de Nationale Kiezersonderzoeken 2002 en 2003, die nog moeten worden gepubliceerd. De eerste uitkomsten over 2002 wijzen niet op een grote onvrede onder burgers of een diepe kloof tussen burgers en politiek, zegt Van Holsteyn. Het lijkt erop dat de verkiezingen van 2002 een incident waren, zegt onderzoeker Joop van Holsteyn. Mensen maakten zich wel meer zorgen, met name over veiligheid. Maar het cynisme over de politiek was vorig jaar niet in sterke mate toegenomen: 54 procent van de kiesgerechtigden hoorde bij de sceptische `helft', tegen 45 procent in 1998 en 49 procent in 1994.

Wel opmerkelijk is dat de NKO-onderzoekers maten dat de sympathie voor Fortuyn ná zijn dood ,,met sprongen omhoog'' ging. En aangezien 29 procent van de kiezers pas daarna, in de laatste week voor de verkiezingen, zijn stem bepaalde, zou dat kunnen wijzen op een impulsieve stem: zonder moord op Fortuyn zou de LPF misschien niet meer, maar minder stemmen hebben gekregen.

Zo diep zat de onvrede dus niet. In de campagne voor de verkiezingen van deze week zag Van Holsteyn ook weer een ,,klassiek'' verloop. Op grond van de antwoorden die mensen aan de onderzoekers van het NKO geven, is Van Holsteyn ervan overtuigd dat het ,,een modern fabeltje is'' dat mensen ,,niet om de inhoud stemmen, maar alleen om de poppetjes.''

Gabriël van den Brink is het niet eens met de relativering van de onvrede. Hij deed vóór 2002 al onderzoek naar de relatie tussen burger en bestuur. Van den Brink stuitte op een onderstroom van frustratie bij burgers. ,,De fundamentele paradox is dat van burgers op alle punten zelfstandigheid en autonomie wordt geëist. Maar als die burger te maken krijgt met de overheid, heeft hij niets aan zijn zelfstandigheid en autononie en stuit hij op een `onheldere bureaucratie': op wachtlijsten, bij scholen en bij de politie. En dat levert stress op.''

Die problemen in de publieke dienstverlening kwamen via Fortuyn en de LPF aan de oppervlakte. Nu is Fortuyn er niet meer en de LPF is gedecimeerd, maar de structurele problemen zijn niet opgelost. Wat blijft is de frustratie over de ambtenaren die het beleid maken, over Den Haag.

Onvrede of niet, kiezers zijn hoe dan ook op drift. Grote verschuivingen in verkiezingsuitslagen en grote schommelingen in peilingen spelen sinds 1994, toen het CDA in één klap 20 zetels verloor. Een steeds groter aantal kiezers, nu zo'n dertig procent, `zweeft', zelfs tot op de allerlaatste dag. De grote sociale ontwikkelingen daarachter zijn al vaak beschreven: de ontzuiling, de voortschrijdende individualisering, de afnemende invloed van ideologieën waardoor de band tussen partij en kiezer is verkleind. Partijen worden in toenemende mate beschouwd als deel van de staat, als recruteringsmachines voor bestuurders.

Vervolg op pagina 22

Stommetje spelen

Vervolg van pagina 21

De burger ziet zichzelf niet langer als een actieve deelnemer aan de politiek. Politiek is iets dat zich afspeelt op tv. De Amsterdamse politicoloog en PvdA-ideoloog Jos de Beus heeft er een woord voor: de `toeschouwersdemocratie'. Anderen spreken van de `fundemocratie' of de `spektakeldemocratie'.

In politicologische discussies over de `toeschouwersdemocratie' is sprake van een groep die zo'n twintig procent van het electoraat omvat en geldt als de harde kern van de heen en weer schietende, onberekenbare groep kiezers. Die groep geeft vaak de doorslag bij verkiezingen. Politicologen localiseren in deze groep de steun voor populisten die zich tegen de gevestigde orde keren. Tegelijk kan juist deze groep, op zoek naar leiderschap, worden verleid door politici uit het midden, die zich met voldoende soepelheid op het snijvlak van politiek en entertainment begeven.

Wie zijn die belangrijke toeschouwers? Martijn Lampert, onderzoeksleider bij Motivaction, heeft een antwoord. Het zijn vooral de middengroepen en dan vooral de opinion leaders daarvan, die de toon zetten. Jonge mensen, opgegroeid met de tv, vaak anderhalfverdieners die in de grote stad wonen, die hechten aan sociale bindingen en op zoek zijn naar `insprirerend leiderschap'. Ze hebben een levenstijl die Motivaction aanduidt als die van de `moderne burgerij', een groep waar 22 procent van de bevolking tussen vijftien en tachtig jaar in zit. In mei was het LPF-electoraat met name in deze groep sterk vertegenwoordigd (in totaal zat 33 procent van het LPF-electoraat in deze groep). Maar eind december waardeerden zij de CDA-leider Balkenende het meest, meer dan LPF-leider Herben. Balkenende werd toen volgens Lampert gezien als de enige die orde, rust en zekerheid kon bieden. Hij denkt dat PvdA-leider Bos juist deze groep cruciale tv-kijkers wist te mobiliseren, door zijn directe, energieke stijl en kosmopolitische uitstraling.

Belangrijke vraag voor politici: hoe bereik je die groep? Antwoord: via de tv. De lijsttrekkers van alle politieke partijen lijken zich hiervan bewust te zijn geweest. Ze stortten zich op de veelvormige fundemocratie: ze hebben meegedaan aan blind dates en escapades met tv-babes, aan kookprogramma's en tal van speelse vormen van rechtsstreekse tv-debatten met collega-politici. Voor het lijsttrekkersdebat op de verkiezingsavond was zelfs de Tweede-Kamerzaal omgetoverd tot tv-decor, als een letterlijke verbeelding van de toeschouwersdemocratie: lijsttrekkers aan de interruptiemicrofoon, publiek in de Kamerbankjes.

Wat betekent dat voor de politieke legitimiteit van onze leiders? Wie wint er straks: de politicus met de beste presentatie of die met de meest geliefde inhoud. De showman of de visionair?

Uit de Britse Labourpartij komt het voorbeeld van de `lelijke' maar degelijke Robin Cooke die het niet kon winnen van Tony Blair. En bij de PvdA haalde een fletse Ad Melkert (tegen een mediagenieke opponent) maar half zoveel zetels als zijn opvolger. Met hetzelfde programma.

De Utrechtse bestuurskundige Mark Bovens constateert dat na het verlies van achterban en ideologie de moderne politicus eigenlijk alleen nog zijn `persoonlijk kapitaal' – zijn gezag en publieke imago – heeft om de kiezer aan te spreken. Tegelijkertijd bevindt de nationale politicus zich inhoudelijk in een permanente spagaat: ,,Politici worden door burgers harder afgerekend op issues terwijl de marges om het beleid daarover te beïnvloeden juist steeds kleiner worden'', zegt hij.

Want de nationale politiek wordt om nog een reden uitgehold: zij heeft veel macht weggegeven. De echte macht heeft zich in toenemende mate verplaatst van de klassieke democratische arena naar andere instellingen, zoals de Europese Unie, internationale verdragsinstellingen, onafhankelijke toezichthouders en quango's (verzelfstandigde overheidsinstellingen waar politici geen grip meer op hebben). Over de belangrijke vraag hoe politici hun legitimiteit kunnen vergroten is de verkiezingscampagne niet gegaan, constateert Bovens. ,,Zo blijf je stommetje spelen'', meent hij.

Zo komen nationale politici steeds vaker in een positie waarin zij weer dingen beloven waarvan zij niet kunnen garanderen dat zij die voor elkaar krijgen. En dat is een recept voor teleurgestelde kiezers. ,,Uiteindelijk worden de beslissingen genomen in Brussel, Seattle en Genève.''

Volgens Bovens zou de echt belangrijke discussie nu niet moeten gaan over een districtenstelsel bij de Tweede-Kamerverkiezingen, maar over de nieuwe democratische inrichting van de EU. ,,De Europese Conventie is veel belangrijker dan zoiets als de gekozen burgemeester.''

    • René Moerland