Slopen, bouwen en mengen

Vele voor- en naoorlogse wijken staan aan de vooravond van stedelijke vernieuwing. Tienduizenden goedkope huurwoningen zullen plaatsmaken voor koopwoningen om zo gemengde wijken tot stand te brengen. In de Amsterdamse Staatsliedenbuurt zijn verschillende zwarte scholen al weer witter geworden. Maar betekent het ook meer integratie?

Oude tijden herleven in de Amsterdamse Staatsliedenbuurt. Soms is het alsof het hier weer, net als in de jaren '80, de Kraakliedenbuurt is. Zoals in de glorietijd van de kraakbeweging kraakpanden en gaten in de stad werden getooid met kleurrijke bijnamen, zo staat het braakliggende terrein in de Van Beuningenstraat in deze buurt nu bekend als `Het gat van Bartlema'. Het gat is genoemd naar Evert Bartlema, de PvdA-wethouder wonen en werken van het stadsdeel Westerpark, dat onder meer de Staatsliedenbuurt omvat.

Begin 2001 werd in de Van Beuningenstraat een flink aantal oude, goedkope huurwoningen gesloopt om plaats te maken voor koopwoningen met daaronder een parkeergarage. Maar daar is het nog niet helemaal van gekomen. De oude woningen zijn weliswaar gesloopt, maar met de bouw van de nieuwe woningen wordt pas begonnen als 70 procent ervan is verkocht. Blijkbaar is dat nog steeds niet het geval.

Een tijd lang stond op het terrein een bord waarop onder de titel `Het gat van Bartlema' de koopprijzen van de woningen (zo'n 250.000 euro) en van een plek in de parkeergarage (35.000 euro) in spottende krakerstaal werden gehekeld. Maar het uitstel van de nieuwbouw duurde zo lang dat het protestbord regen, wind en vandalisme niet heeft overleefd. Het terrein vol puin en de met graffiti bedekte blinde muren van de aangrenzende blokken vormen nu alleen nog een geschikte locatie voor een hiphopvideoclip die zich in een getto moet afspelen.

,,Het gat van Bartlema betekent dat ik eindelijk echt meetel'', zegt wethouder Bartlema. ,,Nee, zonder gekheid, het is natuurlijk verschrikkelijk dat het terrein zo lang braak ligt. Maar sinds de jaren '90 heeft de overheid het niet meer voor het zeggen in de woningbouw. De woningbouwcorporaties zijn verzelfstandigd en moeten bouwen zonder subsidies. De deelraad kan woningbouwcorporaties en projectontwikkelaars niet verplichten met de bouw te beginnen. Met veel praten en druk uitoefenen krijg je het misschien voor elkaar om ze te laten bouwen, als ze 60 in plaats van 70 procent van de woningen hebben verkocht. Maar verder reikt de macht van de gemeente niet.''

Het `gat van Bartlema' is een van de nieuwbouwprojecten die de Staatsliedenbuurt moeten verbeteren. Koopwoningen in wijken als de Staatsliedenbuurt zijn een speerpunt van de `stedelijke vernieuwing' zoals die werd vastgelegd in de Nota Stedelijke Vernieuwing van het ministerie van VROM in 1997. Ze moeten ervoor zorgen dat wijken met veelal allochtone en arme bewoners een `diverser karakter' en een `sterker economisch draagvlak' krijgen. Menging bevordert ook de integratie van minderheden, is een andere gedachte achter de stedelijke vernieuwing: in een wijk met verschillende bevolkingsgroepen komt integratie gemakkelijker en beter tot stand.

Tientallen voor- en naoorlogse Nederlandse wijken staan aan de vooravond van grootscheepse stedelijke vernieuwing. In wederopbouwwijken als de westelijke tuinsteden van Amsterdam en het Rotterdamse Hoogvliet bestaan plannen om de komende jaren duizenden krappe huurwoningen te vervangen door koopwoningen. In de oudere Staatsliedenbuurt is de stedelijke vernieuwing al jaren geleden in gang gezet. Hier ging de `stadsvernieuwing' van de jaren '80, die bestond uit het vervangen van oude door nieuwe sociale-huurwoningen bijna vanzelf over in de stedelijke vernieuwing van nu. Was het adagium van de stadsvernieuwing `bouwen voor de buurt', bij stedelijke vernieuwing zijn `verbetering' en `opwaardering' de sleutelwoorden. ,,Je kunt wel stellen dat we de buurt willen opwaarderen'', zei de toenmalige PvdA-wethoudster bouwen en wonen M. van Lierop van het stadsdeel Westerpark in 1997 in deze krant. ,,We willen ruimte bieden aan mensen met hoge inkomens. Ik wil een gemengde wijk.''

In de Staatsliedenbuurt werden in de tweede helft van de jaren '90 honderden nieuwe koopwoningen gebouwd, vooral op in onbruik geraakte bedrijfsterreinen zoals dat van de vroegere Gemeentelijke Waterleidingen (GWL). Elders in de buurt werden kleine sociale huurwoningen samengevoegd tot grotere woningen. De helft daarvan werd en wordt te koop aangeboden, de andere helft bleef en blijft sociale huur.

,,Het heeft veel moeite gekost om projectontwikkelaars ervan te overtuigen dat in een buurt als deze ook koopwoningen konden worden gebouwd'', vertelt Bartlema over deze ontwikkeling. ,,Begin jaren '90 hield niemand het voor mogelijk dat je een koopwoning in de Staatsliedenbuurt kwijt zou raken. Nu is het heel gewoon.

,,Maar stedelijke vernieuwing is meer dan alleen het bouwen van koopwoningen en het verbeteren van huurwoningen. Ook zijn veel gevels in de buurt op kosten van de gemeente gereinigd. Dat heeft een ongelooflijk effect: eindelijk zie je de mooie details van de oude blokken weer eens goed. Ook niet onbelangrijk is dat we de inrichting van de etalages van bedrijfjes enzovoort subsidiëren. Verzorgde etalages in plaats van oude gordijnen en zonweringen voor de ruiten fleuren een straat op.''

Vroeger sterven

Vóór de stedelijke vernieuwing was de Staatsliedenbuurt een typische `oude wijk' met alle verschijnselen die daarbij horen. Door een overvloed aan kleine, goedkope huurwoningen telde de wijk veel allochtonen, uitkeringstrekkers en bewoners met een laag inkomen. Weliswaar was 30 procent van de bewoners hoogopgeleid – de wijk herbergt van oudsher veel (ex-)studenten en kunstenaars – maar toch waren het gemiddelde opleidingsniveau en het gemiddelde inkomen de laagste van Amsterdam. Een Staatsliedenbuurtbewoner stierf in 1997 dan ook vijf jaar eerder dan de gemiddelde Amsterdammer. Verder telde het stadsdeel van alle Amsterdamse deelgemeenten het hoogste aantal geregistreerde drugsverslaafden buiten de Bijlmer.

Ondanks deze problemen kwam er algauw kritiek op de bouw van koopwoningen in de buurt. ,,Kleine, goedkope woningen horen bij deze buurt'', zei Y.van der Velde, bestuurslid van het wijkcentrum, in 1997. ,,Als je die laat verdwijnen, komen ze nooit meer terug. Nieuwbouw moet aan nieuwe regels voldoen, en dus altijd groter en duurder zijn. Bovendien kunnen de huurders hun woning nu nog zelf betalen. Straks zullen ze zijn aangewezen op huursubsidie: waarom moet de gemeenschap nou bijbetalen als dat helemaal niet nodig is?''

Die kritiek is in de loop van de jaren dezelfde gebleven. Nog steeds zien veel oude bewoners en actievoerders de `yuppificering' van de Staatsliedenbuurt met lede ogen aan. Ze vinden dat bij stedelijke vernieuwing de armen worden verdrongen door de rijken. Dit laten ze luid en duidelijk weten op inspraakavonden over stedelijke-vernieuwingsplannen en in het wijkorgaan De Staatskrant.

De tegenstanders van de stedelijke vernieuwing krijgen bijval van sommige deskundigen zoals Jan Willem Duyvendak, hoogleraar opbouwwerk aan de Erasmus Universiteit in Rotterdam en directeur van het Verwey-Jonker Instituut in Utrecht. Niet de oude wijken vormen het probleem, zo betoogt Duyvendak in zijn pamflet Zeven mythes over de wijkaanpak uit 1999. Nee, hooguit hebben de mensen die er wonen meer problemen dan gemiddeld. En die problemen verdwijnen niet door de introductie van koopwoningen in de oude wijken: werklozen blijven werkloos, WAO'ers blijven arbeidsongeschikt en junkies raken door de komst van welgestelde wijkbewoners niet van de dope af.

Ook bestrijdt Duyvendak dat menging van verschillende bevolkingsgroepen de integratie bevordert. Integendeel: ,,In wijken die qua samenstelling het meest gemengd zijn, zijn bewoners namelijk het minst op de eigen buurt georiënteerd'', schrijft hij. ,,Terwijl in de ongemengde tuinsteden en suburbia, waar alleen witte kinderen wonen, de buurtgerichtheid juist het grootst is.'' Wijkaanpak is in Duyvendaks ogen dan ook in wezen `groepsbeleid'. Eigenlijk gaat het hier om discriminatie, vindt Duyvendak, al schrijft hij dit niet met zoveel woorden: ,,De huidige aanpak diskwalificeert mensen op grond van groepskenmerken. (...) Men is tegen welke concentratie van minderheden dan ook, want concentraties zijn per definitie een probleem. (...) Dat concentratie ook kan leiden tot onderlinge steun en hulpvaardigheid, tot de ontwikkeling van etnische bedrijvigheid en dergelijke, lijkt intussen niet echt te worden onderkend.''

Duyvendak kan voor zijn opvattingen gedeeltelijk steun vinden in de bevindingen van de Utrechtse stadsgeograaf Ronald van Kempen. Hij deed samen met Ellen van Beckhoven onderzoek naar de leefwijze van de bewoners van het GWL-terrein in de Amsterdamse Staatsliedenbuurt. Op dit voormalige, vrijgekomen industrieterrein werd in 1997 een ecologische, autovrije woonwijk met 300 huurwoningen en 300 koopwoningen voltooid.

Wat cijfers betreft is de stedelijke vernieuwing in de Staatsliedenbuurt een succes, zo blijkt uit hun onlangs verschenen studie Het belang van de buurt. De invloed van herstructurering op activiteiten van blijvers en nieuwkomers in een Amsterdamse en Utrechtse buurt. Had in 1995 nog 56 procent van de huishoudens in de Staatsliedenbuurt een laag inkomen (minder dan 1.125 euro netto per maand), vier jaar later was dit al gedaald tot 48 procent. Het percentage van huishoudens met een hoog inkomen (meer dan 2.250 euro netto per maand) was in dezelfde periode gestegen van 7 naar 10. De werkloosheid was gedaald van 40 naar 28 procent.

Ook het aantal junkies in de buurt is de afgelopen jaren zienderogen gedaald. De paar verslaafden die er nog rondlopen, zien er altijd verdwaald en verloren uit, alsof ze zelf ook hebben begrepen dat ze eigenlijk niet meer op hun plaats zijn in de Staatsliedenbuurt.

Maar achter de cijfers gaat nog steeds een ongemengde wereld schuil, zo stellen Van Kempen en Van Beckhoven vast na gesprekken met en enquêtes onder de bewoners van het GWL-terrein. Hun conclusie is dat tot nu toe nauwelijks sprake is van integratie tussen de bewoners van het GWL-terrein en de rest van de Staatsliedenbuurt. ,,Uit ons onderzoek blijkt dat het GWL-terrein toch een soort eiland is in de buurt'', zegt hij. ,,In de Staatsliedenbuurt doen de nieuwkomers wel boodschappen en hun kinderen gaan, vaker dan je misschien zou verwachten, daar ook naar school. Maar voor andere activiteiten, zoals uitgaan en de contacten met anderen, blijven ze toch gericht op hun oude buurt of het centrum. Het blijven gescheiden werelden. Het is en blijft voor iedereen zo dat je omgaat met mensen op wie je zelf lijkt.''

Toch behoort Van Kempen niet tot de aanhangers van laisser faire die denken dat alles vanzelf wel goed komt in de oude wijken. ,,Er wordt wel eens vergeten dat de woningen er vaak slecht zijn'', zegt hij. ,,En de leefbaarheid in de oude wijken staat wel degelijk onder druk. Dat heeft te maken met het gevoel van onveiligheid, de vervuiling, en dan bedoel ik letterlijk het vuil op straat, en de slechte en verwaarloosde woningen. Daar moet je zeker iets aan doen. Alleen moet je met ruimtelijke middelen geen sociaal beleid willen voeren. Dat werkt niet.''

Wethouder Bartlema is niet onder de indruk van de kritiek op de stedelijke vernieuwing in de Staatsliedenbuurt. ,,Als ik verhalen als die van Van Kempen hoor, denk ik wel eens dat er wel erg overdreven en romantische verwachtingen van integratie bestaan'', zegt Bartlema die zelf al tientallen jaren in de Staatsliedenbuurt woont. ,,Natuurlijk is het niet zo dat de leden van de verschillende bevolkingsgroepen nu voortdurend gezellig bij elkaar gaan eten of elkaar dagelijks geestelijke bijstand verlenen in het harde bestaan. Dat is een utopie. En zo is het ook nooit geweest. Als je vroeger na de lagere school naar het vwo ging, verloor je je vriendjes die naar de lts gingen ook uit het oog, om maar wat te noemen. Vanzelfsprekend zoek en vind je de meeste vrienden en kennissen onder mensen die op jezelf lijken. Bovendien zijn wijken in een grote stad als Amsterdam geen zelfstandige, zelfvoorzienende eenheden met duidelijke grenzen die de bewoners niet overschrijden. Zelf ga ik ook wel eens naar een café in een ander stadsdeel. Sterker nog, daar kom je al heel gauw terecht, als je hier woont. De Staatsliedenbuurt ligt vlakbij het centrum met al zijn attracties en voorzieningen.''

Bartlema vindt het al een grote verworvenheid als de werelden van de meer welgestelde blanken en allochtonen niet volkomen gescheiden zijn. ,,Het is al heel mooi dat ze elkaar tegenkomen op straat en in de winkels'', zegt hij. ,,En vooral dat ze in de scholen samenkomen. Want het belangrijkste gevolg van de stedelijke vernieuwing hier in de Staatsliedenbuurt is misschien nog wel dat verschillende zwarte scholen nu weer witter worden.''

De door Bartlema vastgestelde verwitting van de scholen is gemakkelijk waar te nemen. Bij het uitgaan van bijvoorbeeld de Catamaran-school is goed te zien dat de leerlingen van de hoogste groepen vrijwel allemaal allochtoon zijn, maar dat tussen de leerlingen van de laagste groepen weer veel blanke kinderen rondlopen.

Ook op de rooms-katholieke basisschool De Bron is de verwitting begonnen. Het is niet de eerste verandering die Jos van Velzen, directeur van De Bron, meemaakt. ,,Sommige leerkrachten wisselen voor de verandering om de paar jaar van school'', zegt Van Velzen, die al 31 jaar op de school werkt.

,,Ik hoef dat niet te doen, want de school verandert steeds. Toen ik als onderwijzer begon, was De Bron een volledig witte school, met arbeiders- en middenstandskinderen. Vervolgens kwamen de krakers en rolden de pelotons ME hier regelmatig door de straat. Daar hadden we weinig last van, behalve dan dat krakers geen kinderen hadden. Dus hadden we op een gegeven moment nog maar tachtig leerlingen en stond de school op het punt opgeheven te worden. Maar toen kwamen de allochtonen, Turken en vooral Marokkanen, en die hadden juist veel kinderen. De eerste Marokkanen wier kinderen hier op school kwamen, waren afkomstig uit Marokkaanse steden en spraken nog wel wat Frans. Maar later kwamen er Marokkanen van het platteland die alleen Marokkaans spraken en hun kinderen ook. We kregen leerlingen met een grote taalachterstand. We hebben met vallen en opstaan geleerd wat je daarmee moest doen. De laatste jaren zie je kinderen van hoogopgeleide ouders op school komen. Die ouders zijn heel assertief, heel anders dan de dociele Marokkanen en Turken. Ze willen bijvoorbeeld dat het overblijven goed geregeld is. Ze bemoeien zich zelfs met het grafisch ontwerp van de schoolkrant.''

Van Velzen ziet de verwitting als een gunstige verandering, omdat hij vindt dat de school een afspiegeling van de buurt moet zijn. Maar hij gelooft niet dat een gemengde school leidt tot snelle integratie. ,,Allochtone en autochtone ouders gaan nauwelijks met elkaar om'', zegt hij. ,,Als er een feestje op school is, dan zie je hier een plukje Marokkaanse ouders bij elkaar staan, daar een groepje Turken, verderop de Surinamers en ergens anders de witte ouders. Ook als de kinderen naar school gebracht worden, zie je de Marokkaanse vrouwen altijd bij elkaar staan. De kinderen gaan, als ze klein zijn, wel veel met elkaar om. Maar als ze 11, 12 zijn, beginnen ze zich meer op hun volksgenoten te richten. Dat komt door zoiets simpels als spelen. Marokkaanse kinderen spelen wel bij autochtone kinderen, maar het omgekeerde is veel zeldzamer. En als kinderen niet bij iemand mogen spelen, willen ze ook niet zijn vriendje zijn.''

De integratie gaat volgens Van Velzen dan ook nog lang duren. ,,Zeker nog twee, drie generaties'', zegt hij. ,,En misschien moeten we er ook niet te veel van verwachten. Als De Bron een school voor blanke arbeiderskinderen was gebleven en er waren kinderen van blanke hoogopgeleide ouders bij gekomen, dan had je op feestjes precies hetzelfde gezien als nu. Dan zouden de arbeiders in de ene hoek zitten en de hoogopgeleiden in de andere. Alleen zou de scheiding dan niet zo opvallen, omdat alle ouders blank waren en dezelfde taal spraken.''

Vertraging

Het grootste probleem bij de stedelijke vernieuwing is nu de vertraging die in veel wijken al is opgetreden nog voordat de nieuwbouw goed en wel is begonnen. ,,De vernieuwing van de naoorlogse woningvoorraad blijft sterk achter bij de plannen van gemeenten en rijk'', stelde het Onderzoeksinstituut OTB van de Technische Universiteit in Delft een half jaar geleden vast in het rapport De voortgang van de herstructurering in de 30 grote gemeenten. Een van de oorzaken is dat de animo om de verbeterde huurwoningen te kopen veel minder blijkt dan verwacht. En de vraag naar bestaande huurwoningen is door de nieuwe Nederlandse woningnood als gevolg van de ingestorte woningbouw vooral in een stad als Amsterdam zo groot, dat er eigenlijk weinig aanleiding is om ze te slopen. Bovendien zijn er door diezelfde woningnood nauwelijks huizen beschikbaar voor de bewoners die hun woningen wegens sloop of verbetering moeten verlaten.

Ook in de Staatsliedenbuurt gaat de stedelijke vernieuwing nu langzamer dan in de tweede helft van de jaren '90. Zoals blijkt uit het `Gat van Bartlema' verloopt de verkoop van koopwoningen in de buurt minder voorspoedig dan een paar jaar geleden. Van Kempen ziet hierin het begin van een nieuwe ontwikkeling. ,,Stedelijke vernieuwing komt er nu toch op neer dat je rijke, blanke mensen door koopwoningen wilt verleiden zich in een herstructureringswijk te vestigen of daar te blijven'', zegt hij. ,,Daarvoor moet je in het algemeen goedkope woningen slopen of samenvoegen. De laatste jaren leek dat geen probleem. Er komen toch steeds minder lage inkomens, zo was de gedachte, dus is er ook minder behoefte aan goedkope huurwoningen. Maar nu het economisch tegenzit, is dat lang niet meer zeker. Ook raakte je tot voor kort alles op de woningmarkt in de Randstad wel kwijt, maar dat begint nu te stokken. En hoe gaat het straks, als de woningmarkt weer wat ruimer wordt? Wat kiest men dan? Gaat de rijke blanke dan nog steeds naar een wijk als de Staatsliedenbuurt of kiest hij toch maar voor een iets ruimer huis met een tuintje in een Vinex-wijk? Het is niet moeilijk om te voorzien dat voor stedelijke vernieuwing meer nodig is dan het bouwen van dure koopwoningen. Om blijvend aantrekkelijk te zijn, moeten wijken ervoor zorgen dat ze een woonomgeving bieden die zo fantastisch en uniek is dat mensen er graag willen wonen.''

    • Bernard Hulsman