SCHOOL IS VOOR SISSIES

De Engelse socioloog Paul Willis analyseerde 25 jaar geleden al de schoolweerzin bij achterstandsjeugd. Er is niet veel veranderd. ``Zwarte jongens met de minste kansen op de arbeidsmarkt zijn vaak heel populair op scholen.''

Paul Willis zelf is verbaasd over de grote belangstelling voor het 25-jarig bestaan van zijn boek `Learning to Labour', een standaardwerk over achterstandsonderwijs. In de VS en Nederland zijn er bijeenkomsten over gehouden, maar in zijn eigen land, Groot Brittannië, wordt er met geen woord over gerept. De 57-jarige Engelsman uit Wolverhampton – spijkerbroek, T-shirt – laat de belangstelling als een welkome douche over zich heen komen. Hij is tegenwoordig on the dole: werkloos. Hij vertelt het met een spottende lach: ``Ik ben nu in dezelfde positie als mijn onderzoeksonderwerpen''. Vorig jaar kon Willis zijn hoogleraarschap aan de University van Wolverhampton vaarwel zeggen met een mooie afvloeiingspremie. Sindsdien is hij hard bezig met zijn nieuwe internationale tijdschrift over sociologie, Ethnography genaamd.

Eind vorig jaar was Willis dus in Amsterdam, op een bijeenkomst van SISWO, het Instituut voor Maatschappijwetenschappen van de Universiteit van Amsterdam. Alles draaide om dat ene boek dat hem 25 jaar geleden midden in de belangstelling zette. De ondertitel van Learning to Labour was `How working class kids get working class jobs'. Het was een van de geruchtmakende onderzoeken van het neo-marxistische Centre for Contemporary Cultural Studies (CCCS) van de Universiteit van Birmingham. Een groep sociologen volgden er hun jeugdige onderzoeksobjecten jarenlang en schreven standaardwerken over jongerencultuur.

Willis beschrijft in zijn boek op pakkende wijze hoe onderwijs onmachtig is om kinderen uit de toenmalige arbeidersklasse verder te brengen dan de voor hen gereed staande banen in fabrieken. Maar hij toont óók aan hoe een kleine groep leerlingen binnen een school een antischoolcultuur opbouwt die de school lam legt, en hoe die leerlingen hiermee ook hun eigen glazen ingooien. Willis deed drie jaar lang onderzoek onder een aantal arbeidersjongens op diverse scholen voor lager beroepsonderwijs in Birmingham. Hij volgde ze in hun laatste twee schooljaren en het eerste jaar nadat zij de school verlaten hadden. Willis zat achterin het klaslokaal, had gesprekken met de ouders, kwam in de bars en dancings en op het eind werkte hij samen met de jongens aan de lopende band of stond aan dezelfde machines.

The lads

Een groot deel van het onderzoek gaat over een groep van acht jongens die Willis `the lads' noemt; de antischoolleerlingen. School is volgens hen voor sissies: mietjes. Het echte leven speelt zich ergens anders af en in ieder geval niet op school. In het boek is dat echte leven de werkvloer van een fabriek met de echte mannen en op straat, waar de mannelijkheid bewezen kan worden door vechten, drinken, stelen en meisjes. De school heeft geen greep op `the lads' en zij bepalen door hun voortdurende ondermijnende gedrag het klimaat van de school.

25 jaar geleden is ver weg en Willis is de laatste om dat niet toe te geven. ``Achteraf bezien heb ik een groep jongeren beschreven die op het punt stond te verdwijnen. De onderklasse van blanke arbeiders uit de jaren zeventig bestaat niet meer. De huidige onderklasse in Engeland, en ik neem aan ook in Nederland, heeft een andere kleur gekregen. Daarnaast zijn er minder fabrieken om ongeschoolde leerlingen aan een redelijk betaalde baan te helpen. Er zijn nu alleen laaggewaardeerde en laagbetaalde banen als schoonmaker, `the dole' of een door de overheid gesubsidieerde baan.''

Maar de mechanismen zijn nog steeds dezelfde als 25 jaar geleden. ``Er zijn nog steeds grote groepen die het schoolsysteem afwijzen en zich daartegen verzetten. Het is natuurlijk een raar gegeven dat het cadeau dat de overheid aan zijn onderdanen geeft, namelijk gratis onderwijs, wordt verworpen. Menigeen in de Derde Wereld zou er een arm voor willen geven. Dat roept bij mij de vraag op wat er in de cultuur van deze kinderen zit, dat ze een gegeven paard in de bek kijken. En dat niet bekijken als een probleem, maar vanuit hun cultuur. Cultuur is in de sociologie een omstreden begrip, maar volgens mij nog steeds de enige manier om iets te verklaren van het gedrag. Wat mij bijvoorbeeld heden ten dage verbaast, is dat er binnen scholen een soort omkering van de hiërarchie van de buitenwereld plaatsvindt. Zwarte jongens met de minste kansen op de arbeidsmarkt zijn vaak heel populair op scholen. Deze jongens spelen een grote rol in de levendige cultuur van het uitwisselen van eigengemaakte muziek. De cultuur van de hiphop is een dominante cultuur op scholen, ook voor blanke jongens. De wijze waarop deze leerlingen zich verzetten tegen de schoolcultuur is een rijke en robuuste cultuur met zijn eigen codes. En als je die codes van die cultuur begrijpt, begrijp je waarschijnlijk ook waarom antischoolgedrag zo populair is.''

``Scholen zijn nog steeds een snelkookpan van culturen en identiteiten. Om je staande te houden in een leven met niet bijster florissante uitzichten, ontwikkelt iedere leerling zijn of haar eigen overlevingsstrategieën. Kinderen moeten overleven in de `jungle' die een school kan zijn. Zeker in scholen waar iedere interesse in het onderwijs is verdwenen. Na `Learning for Labour' is mij menigmaal gevraagd of ik, net als Ivan Illich, tegen onderwijs ben. En dat ben ik niet. Het is nog altijd beter dan de straat of de gevangenis. Het blijft echter een spagaat tussen de verlichte ideeën over de taak van het onderwijs en dwang. Veel succesvolle scholen voor lager beroepsonderwijs lossen hun problemen op door bij de deur te schiften. Zo houden ze de antischoolleerlingen buiten de deur. Maar de maatschappij zal toch iets met deze leerlingen moeten.''

Inzicht

Willis betreurt het ten zeerste dat er nog weinig onderzoek zoals het zijne plaatsvindt. ``Het is een manier om inzicht te krijgen in wat er precies op scholen gebeurt en waarom sommige leerlingen hun eigen toekomst verpesten. Dat soort inzicht krijg je niet met statistieken en rapporten. Sociologische onderzoek gaat dieper en geeft inzicht in de situatie van leerkrachten en leerlingen. Wanneer je dat begrijpt, valt er ook iets aan te veranderen. Wanneer leerkrachten begrijpen wat deze leerlingen bezig houdt, is er misschien ook een oplossing voor hun gedrag.''

Aan het eind van de tweede druk in 1979 van `Learning to Labour' heeft Willis nog een vraaggesprek met `the lads' toegevoegd. Ze hebben allemaal onregelmatig werk. Ondertussen hebben ze ook het boek gelezen. Hun reacties zijn die van verbazing en herkenning. Dat Willis zo goed kon omschrijven waar ze mee bezig waren! En ergens gloort al een spoortje van spijt dat ze iedere kans op een goede opleiding zelf hebben verknoeid. Willis heeft tot tien jaar geleden contact gehouden met zijn onderzoeksobjecten. Toen werd het verbroken. Willis: ``Het was te deprimerend. Ik heb te veel gelijk gekregen. Het leven van de meeste `lads' is geen succes geworden. Sommigen hebben wel geprobeerd om hun leven te veranderen door weer naar school te gaan. Maar dat mislukte. Maar ook de jongens die gewoon braaf naar school gingen, zijn niet allemaal goed terecht gekomen. En iedere ontmoeting met mij was een bevestiging van hun mislukking. Dat konden we beiden niet meer aan.''

    • Anja Vink