Samen kijken

Mensen kunnen samen hun aandacht ergens op richten, dankzij hun inlevingsvermogen in de geesteswereld van de ander. De andere primaten kunnen dat niet. Primatoloog en ontwikkelingspsycholoog Michael Tomasello over het unieke van de mens.

Zomaar een apengezin en zomaar een mensengezin aan de maaltijd. Met twee korte filmpjes laat psycholoog en apenonderzoeker Michael Tomasello zien waar het zo vaak besproken verschil tussen mensapen en mensen nu eigenlijk op neer komt. Eerst een chimpanseemoeder met kind. De moeder eet een vrucht, het kind zit er naast en haalt nu en dan de vrucht met arm en al naar zich toe. Beiden lijken zich verder weinig van elkaar aan te trekken. ``Zo gaat dat altijd hoor'', zegt Tomasello, directeur van het Max Planck Insituut voor Evolutionaire Antropologie in Leipzig, dat nauw samenwerkt met de plaatselijke dierentuin. ``We hebben geen moeite hoeven doen om dit te filmen. We noemen het passive sharing, de moeder laat toe dat het kind ook wat pakt. Zo doen chimps dat.''

Dan de mensen. Een Duitse moeder is aan de lunch met een paar jonge kinderen. Kwekkerdekwek! Mag ik dat hebben? Nee zegt moeder, dadelijk krijg je een doosje. Maak het maar open, nee, aan de andere kant, (waarom krijg ik niks?!) kijk eens wat er inzit! Enzovoorts. ``Mama geeft instructie en geeft antwoord op vragen van de kinderen. Iedereen is betrokken bij wat er gebeurt. Het is één groot intersubjectief tafereel'', aldus Tomasello, van oorsprong ontwikkelingspsycholoog maar ook nauw betrokken bij onderzoek naar de mentale capaciteiten van apen. Voor hij naar Leipzig vertrok was hij lange tijd werkzaam aan het Yerkes Primate Centre in Atlanta. Hij is een van de weinige onderzoekers die zowel mensenkinderen als apen onderzoeken.

Tomasello toonde de twee primaten-gezinnen aan het einde van een driedaagse lezingenserie vorige maand in Nijmegen. Deze Nijmegen Lectures worden ieder jaar georganiseerd door het Max Planck Instituut voor Psycholinguïstiek en de Katholieke Universiteit Nijmegen. Het contrast tussen beide gezinnen is groot, maar volgens Tomasello is dat allemaal het gevolg van een relatief klein verschil in de mentale talenten tussen mens en aap.

werktuigen hanteren

Tomasello's these, die hij uitvoerig uiteenzette in zijn boek The cultural origins of human cognition (1999) en die hij onderbouwt met veel eigen onderzoek, komt erop neer dat de mens in feite beschikt over dezelfde cognitieve middelen als de andere primaten. ``Al in hun eerste levensjaar kunnen mensenkinderen voorwerpen in verschillende categorieën onderbrengen en eenvoudige werktuigen hanteren. Ze gaan verschillende `leermethoden' gebruiken en kunnen hoeveelheden schatten. Ook hebben ze een eenvoudig inzicht in het verloop van gebeurtenissen. Precies de dingen die alle primaten kunnen in de omgang met de fysieke wereld om hen heen.''

Zelfs in het sociale verkeer beschikken mens en aap over vrijwel dezelfde mentale vermogens: herkenning van andere individuen, het voorspellen van hun gedrag en het aangaan van coalities en bondgenootschappen zoals Tomasello uitvoerig beschrijft in zijn overzichtswerk (samen met Joseph Call) Primate Cognition (1997). Gemeenschappelijkheid genoeg, de brede basis van ons bestaan is hetzelfde.

Maar er is volgens Tomasello één capaciteit waarover de mens wel beschikt en de aap niet: het inlevingsvermogen in de geest van een ander. ``Dat verschil wordt pas echt duidelijk vanaf negen maanden. Dan ontwikkelt zich bij mensen het besef dat andere mensen een eigen wil, eigen intenties en motieven hebben, net als zijzelf. Voor die tijd zijn er eigenlijk niet zoveel cognitieve verschillen tussen mens en nonhuman primate'', zegt Tomasello over deze `negen-maandenrevolutie'. Apen maken die stap nooit, ``maar mensenkinderen gaan zich dan realiseren dat anderen zijn als zijzelf, met een zelfde innerlijk leven, met intenties en motieven. De kinderen maken een algemene beoordeling dat anderen zijn `zoals ik'. En ze willen interactie met die ander.'' Apen hebben ook intenties en plannen, ze realiseren zich alleen niet dat anderen die ook wel eens zouden kunnen hebben, aldus Tomasello.

Uit dit inlevingsvermogen ontstaat vervolgens wat geen enkel ander dier op aarde heeft: joint attention – de eigenschap die de mens tot een `ultra-sociaal dier' maakt. Want vanaf negen maanden ontstaan steeds vaker situaties waarin de baby niet bezig is met een speeltje òf bezig is met een ander mens, maar met een object èn een ander mens. In plaats van concentratie op één ding ontstaat een soort onderling verwijzende driehoeksverhouding (een referential triangle). Het mensenkind houdt in zo'n situatie goed in de gaten of de volwassene wel naar hetzelfde kijkt als zijzelf, en de volwassene doet hetzelfde: samen zijn ze met hetzelfde bezig. Chimps komen nooit in zo'n driehoek terecht, aldus Tomasello, evenmin trouwens als autisten, die óók grote moeite hebben met de inleving in de psyche van de ander.

eh! eh! eh! eh!

``Rond negen maanden beginnen zuigelingen zich voor het eerst aan te passen aan de aandacht en het gedrag van volwassenen ten aanzien van objecten of gebeurtenissen'', aldus Tomasello. ``Ze gaan de blik van anderen volgen. Dan ontstaat ook het typisch menselijk verschijnsel dat kinderen de aandacht van de ander op iets willen vestigen, niet omdat ze het willen hebben of omdat er iets anders mee moet gebeuren, maar gewoon om de aandacht te delen. Zo van eh! eh! eh! eh!'' Tomasello imiteert het alerte aandachtvragende babygeluidje perfect. Volgens hem komt ook het ik-besef van mensen voort uit deze oplettendheid naar de blik van een ander: ``Als de blik van de ander op het kind zelf rust, gaat het kind ook zichzelf anders bekijken. Dat leidt natuurlijk niet onmiddellijk tot een compleet zelf-concept, maar het is wel een begin daarvan.''

Vanuit de (menselijke) ontwikkelingspsychologie krijgt Tomasello ruime steun. Paul van Geert, ontwikkelingspsycholoog aan de Rijksuniversiteit Groningen, is het eens met Tomasello's nadruk op de joint attention, het vermogen tot gemeenschappelijke concentratie op iets, als iets specifieks menselijks. ``Daar is veel, ook ouder, onderzoek over. De mens is een wezen met ultra-empathie. En het lijkt er inderdaad op dat jonge kinderen daarin een kleine voorsprong hebben op de andere primaten, net groot genoeg om enorme verschillen te veroorzaken. Het is een soort drempeleffect. Als je die joint attention goed beheerst zit je net boven een drempel, waar de andere primaten net onder blijven hangen – hoe ver ze ook overigens komen in allerlei vormen van theory of mind.'' Door dat drempeleffect kan een relatief klein verschil grote kwalitatieve verschillen veroorzaken.

Maar onder primatologen geeft de kwestie van het inzicht in de geest van anderen (ook wel eens theory of mind genoemd) aanleiding tot veel onenigheid. Primatologen die vooral natuurlijk gedrag van chimpansees of andere mensapen observeren, zoals de Frans de Waal of de Brit Richard Byrne (die ook bij de Nijmegen Lectures aanwezig was), houden veelal vol dat in ieder geval chimpansees en bonobo's dat vermogen ook hebben. Want hebben zij niet zelf gezien dat een aap een ander voor de gek hield, bijvoorbeeld door hun erectie te verbergen voor het dominante mannetje maar wel op zo'n manier dat het te verleiden vrouwtje hem goed kan zien een verhaal dat Frans de Waal vaak vertelt. Duidelijk inzicht in de geest van de ander, zou je zeggen. Dat betekent niet automatisch dat de apen óók gemakkelijk tot joint attention kunnen komen, maar het slaat wel een fundament weg onder het betoog van Tomasello.

Tomasello is echter niet onder de indruk. ``Waar zijn de echte, harde bewijzen van De Waal?'' Tomasello behoort tot de andere school van primatologen, die alleen experimenteel bewijs uit het laboratorium toelaten. Want alleen onder gecontroleerde omstandigheden kun je echt iets bewijzen, en die bestaan in het vrije veld nu eenmaal niet. ``Dan kan het waar zijn, of niet. Je weet het gewoon niet. Onze beschrijvingen van gedrag zijn onbetrouwbaar. Als ik naar natuurdocumentaires kijk zet ik altijd het geluid af. Die puur menselijke psychologie die op zo'n moment over diergedrag wordt uitgestort kan ik niet verdragen. En zelfs in wetenschappelijke observaties speelt dat: de taal van de beschrijving blijft vol impliciete psychologische theorieën. Veldonderzoek kan je wel op ideeën brengen, maar die moet je altijd toetsen in het laboratorium. En dan nog. De joint attention gaat veel verder dan het vermogen om een ander voor de gek te houden.''

Richard Byrne schampert in Nijmegen een beetje over deze verdediging van Tomasello. Want een paar jaar geleden was Tomasello er nog van overtuigd dat chimpansees niet de blik van een ander konden volgen, een belangrijk element in de theory of mind. Maar door een handig opgezet laboratoriumexperiment bewees Tomasello vervolgens zèlf dat ze dat wel degelijk konden. Een ondergeschikt mannetje bleek perfect rekening te houden met wat de dominante man kon zien. Als een vrucht voor de dominante chimp verborgen was achter een muurtje, ging de ondergeschikte daar altijd het eerste naar toe – en anders niet. Byrne: ``Het is belangrijk dat dat zo bewezen is, maar wij wisten dat natuurlijk allang. Wie zegt dat de nieuwe grens tussen mens en aap die Tomasello nu voorstelt binnenkort niet nog verder wordt opgeschoven? Hij heeft wel eens eerder ongelijk gekregen.''

Ook Frans de Waal laat vanuit het Yerkes Primate Centre in Atlanta weten niet onder de indruk te zijn. ``Dat hele debat over theory of mind doet me denken aan de oude claim dat alleen de mens werktuigen gebruikte. Dat bleek niet te kloppen. Toen werd het dat alleen mensen werktuigen maken. Nadat bewezen was dat chimpansees dat ook doen werd de claim weer verlegd: alleen mensen maken werktuigen om werkuigen te maken. Tja.''

Maar Tomasello laat zich niet van zijn stuk brengen. ``Ik accepteer alleen harde bewijzen. Dat is wetenschap.'' En is het niet ook heel waarschijnlijk dat er maar één relatief klein verschil ten grondslag ligt aan de kloof in levenswijze tussen de mensapen in het oerwoud en de mens met zijn complexe cultuur? ``Want de zes à acht miljoen jaar die de mens evolutionair scheidt van de chimpansee en bonobo is eenvoudigweg te kort om grote biologische verschillen te laten ontstaan. We verschillen biologisch nog minder van de chimpansee als de rat van de muis, en als het paard van de zebra.''

De harde-feitenman Tomasello houdt niet van evolutionaire speculaties en just-so-stories, maar hij kan zich toch ook goed voorstellen wat het nut van dit unieke inlevingsvermogen is geweest. ``Het biedt geheel nieuwe mogelijkheden om het gedrag van soortgenoten te voorspellen en te beïnvloeden. En het speelt ook een krachtige rol bij het leren van elkaar. Zonder dit vermogen is het onmogelijk de typische menselijke cultureel overerfbare omgeving tot stand te brengen.''

Tomasello's eigen onderzoek maakt het verschil steeds kleiner. Want onlangs stelde hij vast dat in een competitieve situatie chimpansees wel degelijk rekening houden met de motieven van een ander. Hij liet een experimentator voedsel geven aan een chimp, door een luikje in een glazen wand. Als de chimp dan verheugd en opgewonden reageerde: `Meer! Meer!', maakte het veel verschil op welke manier de experimentator vervolgens meer voedsel gaf. Als hij zich onhandig gedroeg, waardoor de overdracht telkens mislukte, bleef de chimp rustig wachten. Maar als hij `lui' of `plagerig' het voedsel telkens net niet gaf (met feitelijk vrijwel dezelfde bewegingen als in de `onhandige' situatie) werd de chimp woedend. Op het filmpje dat Tomasello hiervan liet zien sloeg de aap agressief op de glaswand en liep vervolgens weg. Als dat al geen inzicht in de motieven van een ander is!

Maar dat gebeurt alleen in competitieve situaties, benadrukt Tomasello: wanneer er concurrentie is. In samenwerkingssituaties, als een `helper' de chimp op allerlei manieren probeert duidelijk te maken waar het voedsel ligt verborgen, begrijpen de chimps er helemaal niks van, `they're clueless', benadrukt hij. ``Mensen gaan echt volkomen uniek met elkaar om, in de samenwerking om gemeenschappelijke doelen te bereiken. En daarin ligt de basis van onze taal, sociale instituties, expliciet onderwijs, sociaal leren, enzovoorts. In hun natuurlijke omgeving wijzen apen nooit, ze houden geen voorwerpen omhoog die ze elkaar willen laten zien, ze proberen nooit anderen ergens naar toe te brengen waar iets te zien is en ze leren een ander ook nooit nieuw gedrag.''

En los van de prestaties van de apen, volgens Tomasello is er bij het inlevingsvermogen en de join attention van de mens ``duidelijk sprake van een coherent ontwikkelingsfenomeen dat op de een of andere manier biologisch bepaald is.'' In 1998 publiceerde hij met anderen de resultaten van een onderzoek waarin ze de cognitieve ontwikkeling van 24 kinderen vanaf negen maanden een half jaar hadden gevolgd. Iedere maand werden de vorderingen gemeten: volgen de kinderen de blik van anderen, kijken ze als je wijst, doen ze dingen na, wijzen ze zelf, spelen ze samen met een volwassene met een stukje speelgoed? De meeste van deze joint attention-vaardigheden verschenen tussen 9 en 12 maanden, en dicht op elkaar, binnen vier maanden. En altijd kwam het `checken' van de aandacht van de volwassene (kijkt-ie wel?) als eerste en vervolgens kwam het volgen van de aandacht van de volwassene op iets anders: het volgen van de blik en het kijken als de volwassene wijst, enzovoorts. De verschijning van de vaardigheden vertoonde een sterk onderling verband. ``Voor een beperkter pakket vaardigheden hebben andere studies dezelfde samenhang gevonden'', aldus Tomasello.

ontwikkelingsgang

Dit mooie samen-op-gaan is belangrijk, zegt Tomasello, want het weerspreekt andere ontwikkelingspsychologische theorieën over de ontwikkeling van deze vaardigheden. Simon Bar Cohen, vooraanstaand autisme-onderzoeker, vermoedt bijvoorbeeld juist dat het hier gaat om een groot aantal losstaande genetisch bepaalde `sociaal cognitieve modulen', met allemaal een eigen aparte ontwikkelingsgang, zoals het Gezamenlijke-Aandachtsmechanisme, de Oogrichtingdetector, de Intentiedetector, enzovoorts. En aan het andere uiterste van het theoretische spectrum staat een psycholoog als C. Moore, die veronderstelt dat al deze vaardigheden volledig worden aangeleerd door het kind met behulp van een algemeen leervermogen.

Een kind dat beschikt over inlevingsvermogen en het vermogen tot joint attention is klaar om deel te nemen aan de menselijk cultuur. ``Door dat ene vermogen is de menselijke cognitie niet langer een in essentie individuele affaire zoals dat bij de andere primaten bestaat, maar primair een sociaal-collectief proces'', aldus Tomasello, die bij de mens spreekt over een ultra-sociaal bestaan – ter onderscheid van het toch ook al vrij intense sociale bestaan bij de andere primaten. Taal bijvoorbeeld is zonder inlevingsvermogen vrijwel onbestaanbaar. Want wie iets zegt, wil uiteindelijk de geest van zijn gesprekspartner beïnvloeden – wie geen benul heeft van het feit dat de ander een geestesleven heeft, zal ook geen behoefte voelen om hem iets te zeggen. Veel autisten gaan ook nooit praten.

Bij de overdracht en groei van de menselijke cultuur speelt imitatie een belangrijke rol: iedere nieuwe generatie moet zich eerst de verworvenheden van de vorige eigen maken, alvorens een eigen bijdrage cq verbetering te kunnen leveren. En deze verbeteringen moeten ook weer `klakkeloos' worden geïmiteerd door volgende generaties om behouden te blijven. Dankzij imitatie en verbetering groeit de menselijke cultuur, zo zou je Tomasello's veel uitgebreidere betoog hierover kunnen samenvatten. Bij de andere primaten gaat dit heel anders. De primatologen H. Kummer en Jane Goodall merkten ooit op dat veel creatieve handelingen van niet-menselijke primaten nooit zijn opgemerkt door mensen omdat die handelingen nooit getrouw worden overgenomen door de groep. Geen enkele aap bouwt voort op de prestaties van de ander, omdat hij niet in staat is die prestatie getrouw te imiteren. In de apenwereld moet iedereen zijn eigen wiel uitvinden. En dat komt weer – volgens Tomasello – omdat apen geen inlevingsvermogen hebben. Zij kijken alleen naar het resultaat van een handeling en proberen dat resultaat op hun eigen manier te bereiken – veel creatiever eigenlijk dan de mens, die meestal ook eerst de manier waarop iemand iets doet trouwhartig overneemt.

fietsband plakken

De stelling van Tomasello is dat imitatie alleen maar mogelijk is omdat mensen dankzij hun inlevingsvermogen weten dat de manier waarop iemand bijvoorbeeld een fietsband plakt het resultaat is van bewuste keuzes – en die manier waarop zal dus wel een goede reden hebben. En dat begint al vroeg. In 1993 publiceerde Tomasello samen met anderen een studie waarbij het leergedrag van twee jaar oude kinderen werd vergeleken met dat van chimpansees. Met een hark kon op twee manieren een object worden gepakt: op de handige en op een onhandige manier: omgekeerd, met de tanden in de hand en harken met het stokje. Beide methodes werden in aparte experimenten getoond aan de kinderen en de chimps. De kinderen namen in het algemeen de getoonde methode over – ook als die onhandig was: `het zal wel een bedoeling hebben'. Maar de apen gebruikten allerlei methodes om de hark te hanteren ongeacht de getoonde methode. In de opstelling waar de onhandige manier werd voorgedaan hadden de chimps dus een beter resultaat. Tomasello: ``Zo zie je maar dat deze manier van leren, waarbij je alleen op het resultaat en de omstandigheden en niet op het gedrag of de strategie let, een heel intelligente en creatieve leermethode is. Onze imiterende methode is niet `hoger' of zoiets, maar wel socialer.''

Bij slaafse imitatie (in feite het echte naäpen) is onderwijs mogelijk, bij het losse leren van de apen niet. Volgens Tomasello is het klassieke geval van chimpansee-onderwijs – de moeders in het Tai-woud die hun kinderen leren notenkraken – uiteindelijk gebaseerd op slechts twee observaties, ``en in het wild is zoiets altijd erg moeilijk te interpreteren.'' Het is dan ook niet verwonderlijk dat Tomasello zeer sceptisch staat tegenover onderzoeken naar de cultuurverschillen tussen verschillende groepen in het wild levende chimpansees en sinds kort ook orang-oetans. Volgens hem zal nader onderzoek uitwijzen dat vrijwel alle verschillen, in bijvoorbeeld de manier waarop mieren worden gegeten of hoe het nest wordt gemaakt, teruggaan op ecologische verschillen en niet op een overgedragen `willekeurige' traditie van de groep.

Primatoloog Richard Byrne blijft echter sceptisch over het grote belang dat Tomasello hecht aan inzicht in motieven en intenties. Want hoe belangrijk zijn die motieven en al dat innerlijk leven nu helemaal? ``Mensen zijn er altijd erg goed in om achteraf hun eigen gedrag en dat van anderen te verklaren uit bedoelingen en motieven. We praten er voortdurend over. Maar de vraag is of al die diepe mentale verhalen het gedrag wel kunnen verklaren. Ik denk eerlijk gezegd dat al dat mentalizing een vrij onbelangrijke toevoeging achteraf is. In de werkelijke drijfveren voor onze feitelijke gedrag verschillen we bar weinig van de andere primaten.''

    • Hendrik Spiering