Postmodern amen

De verkiezingsdag is het sacrale moment van de democratie, het tijdstip waarop de macht symbolisch wordt ontbonden. De democratie als maatschappijvorm is niet gebaseerd op de wil van God, zij is gefundeerd op het geloof in gelijkheid en vrijheid. De nieuwe macht spruit uit polemiek voort: de democratische macht is een communicatieve macht. De polemiek houdt oorlog der meningen in, waarin voortdurend grenzen worden gemarkeerd: `wij en zij', `ik en de ander'. In de verkiezingsperiode gaat het er derhalve niet om de boel bij elkaar te houden, integendeel, de boel dient uit elkaar gehaald te worden. Omdat de democratie telkens vraagt aan de burgers om opnieuw te beginnen. De democratie geeft hoop.

Op 22 januari werden wij door de kracht van de democratie in miljoenen individuen veranderd, in machthebbers. Fantastisch! Als je in Nederland bent geboren en getogen kun je je misschien moeilijk voorstellen dat de meerderheid van de mensheid niet in een democratie leeft en zelden het recht heeft om te kiezen. Daarom zijn er weinig mensen die voelen wat ik op iedere verkiezingsdag ervaar: een innerlijke mystieke vreugde van individu-zijn. Als dan daarbij een natie tot een reële eenheid wordt gesmeed, is het metterdaad gelukt de boel bij elkaar te houden. Al worden dan, door dat collectieve, tegelijkertijd de individuele elementen van democratie en hoop begraven. Een democratische natie is een zwevende natie die telkens in staat is de interne en externe waarnemers te verrassen.

Maar niet iedereen houdt van verrassingen. Op deze pagina uitte Bas Heijne zijn woede over het volk, de onbetrouwbaarheid van het volk en de nieuwe rechtse columnisten, die de boze burger naar de mond praten. Jammer dat Heijne niet met namen komt. Het intellectuele establishment is voor mij verrassender in zijn oprispingen dan onze zwevende natie. Stelselmatig wordt de burger geminacht door deze elite van het denken. Wordt de Nederlandse burgers onvrede aangepraat door die vieze rechtse intellectuelen? Toch erkent Heijne dat er nog veel onvrede in Nederland is. Het is alleen ongrijpbaar.

Het lijkt op een merkwaardig denkproces: tegelijkertijd ontkennen en erkennen, en vervolgens concluderen dat de werkelijkheid vreselijk weerbarstig is. Dit laatste is een postmoderne vorm van het bijbelse woord `amen'. Als je het niet weet, of als je niet durft een positie in te nemen, dan zeg je dat de werkelijkheid weerbarstig is. Amen. Het postmodernisme verhult zo vele tegenstellingen.

De elite van het denken meent het volk te moeten tuchtigen. Dit is het land van domineesretoriek: uit den hooge preken tot het zondige volk. Deze elite sanctioneert elke poging uit de marge van de macht om de problemen van de publieke ruimte te presenteren. Hierin lag het succes van Fortuyn. Fortuyn kritiseerde de macht die zichzelf allang boven de publieke ruimte had geplaatst. Hij deconstrueerde de macht, want pas door een deconstructie van macht worden machthebbers gedwongen het bezit en uitoefening ervan te legitimeren. De brave postmodernistische denkers zoeken hun toevlucht in het preken. De scherpte en de onvoorspelbare uitwerking van het aardse volk beangstigen deze dominees.

Nederland heeft ook een andere tijd gekend, een tijd waarin de vijftigers, Lucebert voorop, het politieke en culturele establishment genadeloos kritiseerden. De afgelopen decennia waren echter het volk, inclusief zijn establishment en de elites, meningsloos: er was geen polemiek. Daarom moesten we ons op grond van de statistieken gelukkig voelen. En als het volk zich toch nog ongelukkig voelt, dan mag de politicus, volgens de postmodernisten, de kiezer niet naar de mond praten. Wat is een politicus zonder de burgers? Naar wie moet de politicus dan luisteren? Naar beleidsmedewerkers of naar de peilingen aangaande het geluk?

Kritiek was en is het hart van de westerse cultuur. Alle wetenschappelijke en politieke verworvenheden zijn vooral te danken aan een kritische benadering. In landen waar geluk een verplicht gevoel is, is sprake van een geestelijke en materiële armoede. Het brave en gelukkige zijn helemaal niet interessant. Een kritische cultuur is een riskante cultuur: teneinde de gevaren die daaruit voortvloeien te minimaliseren, gelden er wetten.

Sommigen willen ons doen geloven dat we de beschaving en het fatsoen kwijt zijn. Welke beschaving zijn we kwijt? Onze beschaving wordt juist bedreigd door de problemen die de oorzaken van onvrede vormen. Onvrede bracht de mondige burgers voort. Maar een partij als D66, die roept de partij van de nuance te zijn, zei dat we ter bescherming van de beschaving juist op haar moesten gaan stemmen. Het is buitengewoon vreemd dat intellectuelen die ooit het land wilden democratiseren nu proberen, onder het mom van de nuance, de burgers te depolitiseren. Nederland is niet ziek, noch egoïstischer dan andere landen. Het individualisme dat Nederland tentoonspreidt is, om met Alexis de Tocqueville te spreken, van democratische oorsprong.

Dit individualisme geeft aan dat hier sprake is van een vergaand democratiseringsproces. Deze neiging wordt door onze intellectuelen niet herkend. In het boek De monarchie, Staatsrecht, volksgunst en het Huis van Oranje tref ik in een artikel van H.J. Schoo een scherpe herkenning van dit democratiseringsproces. Schoo vraagt zich af of de opkomst van Leefbaar Nederland aan een ,,wijdverbreide burgerlijk-democratische revolte'' kan worden verbonden. Hij zag het juist. Een paar maanden later kwam de revolte. Maar het grootste gedeelte van het intellectuele establishment is al geïnfecteerd met de feodaal-politieke cultuur. Mede daardoor heeft het zich verzet tegen deze burgerlijk-democratische revolte. Het establishment koos voor het preken en niet voor de polemiek. Terwijl de elite meer burgerlijk-democratisch moet worden, dient de burger zich juist elitairder te gedragen: scherp maar ook bedachtzaam.