`Politieke partijen hebben hun tijd gehad'

Jo Ritzen begint volgende week als collegevoorzitter aan de Universiteit van Maastricht. Hij schreef een boek over de `doordachte maar amper doorgevoerde modernisering' van de Wereldbank, waar hij vierenhalf jaar in de top werkte. Over Wouter Bos, werk, werk, werk, en ontwikkelingshulp als wapen tegen het moslimfundamentalisme.

Nederland is de zelfgenoegzaamheid voorbij, is de eerste optimistische indruk van Jo Ritzen, de oud-minister van Onderwijs die na vierenhalf jaar werken bij de Wereldbank in Washington komende week begint als voorzitter van het College van Bestuur van de Universiteit Maastricht.

De laatste weken pendelend tussen Amerika en Nederland heeft Ritzen het vaderland weer tot zich laten doordringen. Thuis in Delft stemde hij 's avonds om half elf nieuwsgierig af op het verkiezingsdebat van de dag. Weer even terug in Washington vertelt hij: ,,Het is verfrissend een land terug te vinden dat in de gaten heeft dat er een wereld te winnen is door dingen anders te doen. Van een afstand leken Nederland en de Nederlanders de afgelopen jaren wel buitengewoon tevreden met zichzelf.''

Paars II straalde die tevredenheid uit, denkt Ritzen, misschien ook wel omdat het een ongebruikelijke coalitie was die toch maar tot stand was gebracht. ,,Er waren problemen die te lang bedekt bleven: wachtlijsten, files, veiligheid, integratie. Toen die eenmaal in zicht kwamen, sloeg de sfeer scherp om, en keerde zich tegen – niet onbegrijpelijk – de politici die hadden gezegd dat alles zo mooi in orde was.''

Zo belandde ook alles wat er mis is met het onderwijs op zijn stoep: te grote scholen, toenemende segregatie, het

regeloerwoud uit Zoetermeer, de mislukte onderwijshervormingen. Ritzen, die minister was van 1989 tot en met 1998 in het eerste paarse kabinet, is er niet erg van onder de indruk. Vóór hem was er minister Deetman (CDA), na hem minister Hermans (VVD). De basisscholen zijn nog steeds vrij klein, en op de middelbare scholen voelt men zich over het algemeen goed thuis. De grote regionale opleidingscentra kunnen beter een vuist maken, juist dankzij hun omvang. De kritiek op de basisvorming en het studiehuis noemt hij ,,nogal populistisch'', die ontwikkelingen hebben meer tijd nodig.

Ritzen: ,,Te vaak moet de overheid in de verhalen voor alles en nog wat opdraaien, en niet de mensen zelf. En je hoort ook steeds de gedachte dat voor alles een kant-en-klare oplossing bestaat, als je er maar even de schouders onder zet. Ik denk dat er heel wat dilemma's zijn die niet zo makkelijk zijn op te lossen. Neem integratie. Het is uitstekend dat daar goed naar wordt gekeken, maar het zijn nagenoeg dezelfde vragen waar Frankrijk, Denemarken, Duitsland en Portugal mee worstelen. In Frankrijk heeft men Frans-leren altijd verplicht gesteld, maar daar zie je toch ook zwarte en witte scholen en een schrijnend gebrek aan integratie.''

Het volgen van het nieuwe Nederland de laatste weken was meeslepend, zegt Ritzen verrast, meer emotioneel dan intellectueel: ,,Die debatten gingen nergens over. Het waren echte debatingdebatten, elkaar afbluffen en in twee zinnen een punt scoren, proberen via interrupties ruimte te creëren. Als je behoefte had aan informatie over wat partijen willen, dan moest je daar op een andere manier aan zien te komen.''

Zoals meer kiezers viel Ritzen voor de ,,helderheid, vriendelijke uitstraling en bescheidenheid'' van Wouter Bos. En zo werd het voor Ritzen prettig terugkomen nu zijn Partij van de Arbeid zich zo opmerkelijk heeft hersteld. Maar de partij erachter kan in een half jaar toch niet ingrijpend zijn verbouwd?

Hoe kan een partij met leider X worden gehalveerd en met leider Y negentien verloren zetels acht maanden later weer terugkrijgen?

Ritzen: ,,Kennelijk kan dat. De Nederlandse of de Europese democratie, misschien wel de democratie in de wereld, heeft zich zo ontwikkeld. Je moet je afvragen of we in Nederland nog wel het best denkbare systeem hebben om deze enorme zwenkingen zo te vertalen dat we de dynamiek serieus nemen. De mensen willen een aantrekkelijke persoon die zij vertrouwen. Daar hoort geen lijstenstelsel en geen evenredige vertegenwoordiging meer bij. Dat vraagt om directe verkiezingen.

,,Misschien ben ik hierin een laatbloeier, maar ik ben tot de conclusie gekomen dat partijen eigenlijk geen zin meer hebben in Nederland. Misschien zijn brede stromingen genoeg. We moeten toe naar lokalere verkiezingen. Inderdaad, naar een districtenstelsel, om te komen tot een veel nauwere band tussen kiezers en volksvertegenwoordigers. De echte beslissingen, die mensen raken, worden op regionaal en op Europees niveau genomen.

,,Je kunt er van alles bijhalen, Fukuyama's Einde van de Geschiedenis. Of Wim Kok die het op een van zijn beste momenten, in zijn Den Uyl-lezing, ook heeft gezegd: de PvdA heeft zijn ideologische veren afgeschud. Ik denk dat steeds duidelijker wordt dat geen enkele partij meer bepaald wordt door een uitgesproken maatschappijvisie. Ze zullen allemaal in enige mate sociaal zijn en enigszins de marktwerking willen bevorderen. Het gaat dan vervolgens over de mix van die twee.

,,Het scherpe onderscheid tussen conservatieve liberalen, die uitsluitend voor de vrijheid opkomen en daar geen randvoorwaarden aan willen stellen, en de socialisten, die altijd voor een sterke rol voor de overheid in het functioneren van de markt zijn – dat is voorbij.''

In de Verenigde Staten, waar de Democraten rechts van de VVD staan, zou zoiets klinken als ketelmuziek uit dromenland.

,,Amerika heeft een heel andere geschiedenis. De Pilgrim Fathers waren heel speciale mensen, ook voordat zij uit Europa emigreerden, bijna een sekte, met heel extreme opvattingen over individuele vrijheid. Die erfenis heeft een sterk stempel gedrukt op de mentaliteit van het het land en op zijn economisch systeem, dat op dit moment nogal overweldigend en erg overheersend is – dat is een wals die overal overheen gaat. Dat zie je ook bij de dominante rol die de VS spelen bij het bepalen van het ontwikkelingsbeleid in de wereld.''

Ritzen, tijdens zijn jaren als vice-president human development bij de Wereldbank een van de zeldzame fietsers in de Amerikaanse hoofdstad, denkt dat het een hard gelag voor veel Nederlanders is als zij er achter komen hoeveel Amerikaanse gewoonten en `verworvenheden' in Nederland intussen ingang hebben gevonden. ,,Kijk maar naar de eet-, kleed- en muziekcultuur. Wij nemen trouw van alles over, terwijl velen het als plezierig ervaren niet Amerikaan te zijn, een gevoelen dat ik deel.''

Hij houdt wel van Amerika, heeft er twee eerdere perioden doorgebracht aan de universiteiten in Berkeley (Californië, '72-'75) en Madison (Wisconsin, 1988), maar hij blijft vallen over twee kenmerken van deze samenleving: de voorliefde voor vuurwapens en de nadruk op werk, werk, werk. ,,Het lijkt wel of veel mensen zich hier willen straffen met dat altijd en eeuwig bezig zijn met werk. De meer ontspannen houding in Nederland vind ik op zichzelf prettig. De overheid en de sociale verhoudingen spelen daar hun rol in. Wij vinden in Nederland dat wij ons bovendien inspannen voor wie het niet zo goed heeft, en denken wat te makkelijk dat wij met dat alles ook betere resultaten boeken.''

Op weg naar het gesprek zag Ritzen op de 44ste Straat in de binnenstad van Washington een ploeg Salvadoranen. Ze verrichtten zwaar werk aan de weg. Het waren immigranten. Zij spraken geen woord Engels, maar leverden een bijdrage aan de samenleving. Hoe zij het redden, dat moeten zij zelf maar uitzoeken, zonder huursubsidie, WAO of andere sociale zekerheid.

Ritzen: ,,In Amerika geldt `je moet het zelf maken' even goed voor buitenlanders als voor Amerikanen. Dat heeft de integratie van buitenlanders veel goed gedaan. Je zou bij ons dat soort beleid niet voor buitenlanders alleen kunnen voorstellen. Dan moet het voor iedereen gelden. In Nederland wordt op het ogenblik wat ongenuanceerd over buitenlanders en hun problemen gepraat. Aparte maatregelen voor buitenlanders zijn op geen enkele manier te verdedigen. Hoogstens kun je een speciale benadering zoeken voor groepen Turken en Marokkanen die zich in de derde generatie nog steeds Turkser of Marokkaanser dan Nederlands voelen.

,,Misschien kom ik in de buurt van een aantal VVD-voorstellen terecht, maar ik ben geneigd voor een aantal sociale voorzieningen het arbeidsverleden een rol te laten spelen. Dat is een conflictpunt: de VVD wil dat bij de WAO invoeren. Nederland zou eens goed moeten kijken naar het algemene beeld van het zelf moeten maken in Amerika, mét alle nadelen die daar bij horen, maar het niet te makkelijk afwijzen.''

Jo Ritzen noemt het frappant hoe sluipend we veramerikaniseren. Op één punt na. ,,Ik ervaar iedere dag, of ik nu hier of in Nederland ben, dat de Nederlandse regel `Doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg' absoluut niet geldt in Amerika. Dat is hier níét de manier waarop je je gedraagt. Of het nu waar is of niet, je houdt vol dat je je onderscheidt. `Our goal is to be the best, to be the leader in...' Dat is in Nederland het laatste dat je zegt.''

Pim Fortuyn was wat dat betreft in Ritzens ogen een ,,typisch Nederlandse on-Nederlandse figuur''. Hij heeft Fortuyn nog meegemaakt als een gewone, vriendelijke persoon. ,,Hij is op den duur in een bepaalde rol geduwd. Hij was altijd wel een tikje controversieel. Vervolgens werd hij in radio- en tv-programma's betaald om tegen te zijn en dat standpunt vol te houden. Dat is zijn beroep geworden, waardoor hij sterk de rol kreeg van iemand die niet meeging, de anti-teamplayer. Achteraf heeft die periode gewerkt als katalysator, hij heeft Nederland geholpen de politieke correctheid af te werpen. Het opmerkelijke is dat Fortuyn twee zeer uiteenlopende groepen Nederlanders aan zich bond: al of niet nieuwe ondernemers die vonden dat de overheid hun te weinig ruimte liet en inwoners van arme wijken die zich bedreigd voelden.

,,Tegelijk moet de uitzonderlijkheid van dit alles niet worden overdreven: wat in Denemarken, Noorwegen, Frankrijk en Portugal gebeurt is niet zo verschillend. Het zijn andere mensen, en zeer vergelijkbare situaties. Het is alleen maar een voordeel als we een duidelijker rechts-links tegenstelling krijgen. De oude partijen zijn toch al niet meer dezelfde die zij eerst waren. En kleinere partijen, zeker als zij zijn afgesplitst van grotere partijen, doen eigenlijk afbreuk aan het functioneren van de Tweede Kamer.''

In Groot-Brittannië en Frankrijk is genoeg onvrede, maar alternatieve partijen, zoals de Britse Liberalen, hebben nooit enige regeringsverantwoordelijkheid kunnen dragen. De LPF heeft toch op zijn minst een rol als overdrukventiel kunnen vervullen?

,,Dat is waar, maar ik kijk meer naar de mate waarin problemen worden opgelost. Het volgende kabinet zal nog heel labiel zijn. Een week na zijn aantreden heb ik in deze krant geschreven over `het interim-kabinet-Balkenende'. Dat ging niet om de man Balkenende. Die instabiliteit was een gevolg van het grote aantal zwevende kiezers. Dat vertaalt zich misschien wel in zetels, maar het zwevende blijft hangen in die Kamer. Dinsdag wist 30 procent nog niet wat zij gingen stemmen.

,,We moeten een systeem vinden dat voor burgers een herkenbaarder vertegenwoordiging oplevert. Misschien raken zij er meer bij betrokken als er na twee jaar weer eens een rondje wordt gemaakt met de kiezers; het hoeven geen nieuwe verkiezingen te zijn (want dat maakt de beleidscyclus te kort), maar het zou de moeite waard zijn om een regeerakkoord voor twee jaar af te sluiten, en niet voor vier jaar. Er moet hoe dan ook wat gebeuren. Als je een tennisarm hebt, moet je iets anders gaan doen: een ander racket gebruiken, een andere slag oefenen of andere ballen kopen.''

Net als bij de Wereldbank, waar de antiglobaliseringskritiek heeft geleid tot het drastisch heruitvinden van wat ontwikkelingshulp zou moeten zijn. Jo Ritzen kwam er na zijn ruim achtjarig ministerschap terecht als speciaal adviseur van bankpresident

James Wolfensohn. Zeker sinds juli 2001, toen hij vice-president werd, maakte hij veel interne discussies mee over de beste reactie op de felle kritiek van de antiglobalisten dat de bank arme landen aanbeval zoveel mogelijk marktconform te gaan werken, subsidies op landbouwproducten af te schaffen, openbare nutsbedrijven te privatiseren en de eigen markten open te stellen.

Ritzen: ,,De tegenstanders van globalisering zeggen dat boeren en burgers in ontwikkelingslanden daardoor nog minder overhouden. De concurrentie door westerse bedrijven wordt alleen maar feller. Maar je ziet ook dat landen die zich openstellen en meer marktconform werken, sneller een kans krijgen op de wereldmarkt. Die kritiek snijdt dus geen hout.''

In zijn laatste maanden bij de Wereldbank heeft Ritzen in een razend tempo een boek geschreven over zijn ervaringen bij en zijn kritiek op de bank. Hij hoopt het binnen afzienbare tijd in het Engels te kunnen uitbrengen. Joseph Stiglitz, voormalig topeconoom van de Wereldbank, Nobelprijswinnaar en criticaster van het geaccepteerde ontwikkelingsbeleid, heeft toegezegd een voorwoord te schrijven. Op de vraag of hij binnen de bank strijd heeft gevoerd om gehoor te krijgen voor deze punten van kritiek antwoordt Ritzen met een volmondig ja. De meeste thema's kwamen aan de orde tijdens de maandelijkse vergaderingen van de veertig belangrijkste functionarissen van de bank.

Ritzen prijst Wolfensohn, de voormalige investment banker die in 1995 aantrad bij de Wereldbank, voor zijn openheid voor de kritiek. Ritzen staat voor 90 procent achter dat beleid en de manier waarop de bank functioneert. Maar hij heeft ook pittige kritiek. Bijvoorbeeld op het gebrek aan snelheid waarmee het zijns inziens terechte deel van de verwijten aan het adres van de bank zijn omgezet in beleid, en op het feit dat de Wereldbank kansen heeft laten liggen na het einde van het communisme.

,,Toen het denken in machtsblokken voorbij was, kon je je echt met ontwikkelingshulp gaan bezighouden. Dat was daarvoor ingewikkelder. Mobutu is mede door de Wereldbank in het zadel gehouden, ook al wist iedereen dat het geld naar Zwitserland ging. Nederland deed ook aan dat soort ontwikkelingshulp: in 1991 gaven wij nog betalingsbalanssteun aan Soedan, of all places. Ik heb daar nog een gesprek met Jan Pronk over gehad. De Wereldbank was niet de enige die Westerse belangen steunde en daarmee vrienden hield in het wereldkamp. Door het verdwijnen van de Sovjet-Unie was dat niet meer nodig. Wolfensohn heeft in dat verband goede dingen gezegd, maar er had meer aan kunnen gebeuren.''

Zo vindt Ritzen dat onvoldoende resultaten zijn geboekt op drie terreinen: een betere plaats van de ontwikkelingslanden in de wereldhandel, strijd tegen corruptie en de selectie van landen waar hulp effectief gebruikt kan worden. Opnieuw, Wolfensohns Wereldbank heeft Amerika, Europa en Japan gezegd dat zij hypocriet zijn om samen per jaar voor 35miljard dollar aan ontwikkelingshulp te geven, en tegelijk de eigen landbouw zo te subsidiëren dat de boeren in ontwikkelingslanden er 100 miljard dollar door mislopen. Maar, zegt Ritzen, als je ernst maakt met ontwikkelingssamenwerking, dan zou dat veel meer een kernpunt moeten zijn.

Hetzelfde geldt voor de strijd tegen corruptie. Die is door Wolfensohn op de agenda gezet, maar volgens Ritzen niet goed vertaald naar bedrijven uit de rijke landen, die goed zijn voor misschien wel de helft van alle corruptie in ontwikkelingslanden. De OESO, de organisatie van rijke landen, zegt dat het niet mag, maar controle ontbreekt. ,,De Wereldbank zit er niet bovenop, terwijl strijd tegen corruptie een essentieel onderdeel zou moeten zijn in een geglobaliseerde wereld. Op beide punten – wereldhandel en corruptie – krijg je de indruk dat men niet op kan tegen de druk van de Amerikanen. Er zijn nooit echt grote bezwaren van die kant geuit, maar het beeld bestaat binnen de bank dat je problemen krijgt als je tegen het grote bedrijfsleven ingaat.

,,Het ontwikkelingsbeleid wordt sowieso sterk door de Verenigde Staten bepaald. Zij zijn de grootste aandeelhouder van de Wereldbank (die de helft van alle ontwikkelingshulp in de wereld geeft) en in zekere zin grondlegger van het idee van ontwikkelingssamenwerking via het IMF en de Wereldbank. De andere landen moeten daar niet over klagen. Ze zaten erbij en keken ernaar. Vooral de Europese landen zijn er een meester in niet met elkaar samen te werken en daarmee ruimte te laten voor die Amerikaanse dominantie. Die uit zich ook in de overheersende rol van het Amerikaanse model als voorbeeld voor ontwikkelingslanden, terwijl die zich veel meer thuis voelen bij Europese en Aziatische voorbeelden, waar markt en overheid elkaar meer aanvullen dan in het Amerikaanse model waarin alleen de markt telt.''

De andere bron van Ritzens zorg voor de toekomst van de ontwikkelingssamenwerking is gelegen in de oorlog tegen het terrorisme. ,,Eigenlijk is dat de oorlog tegen het moslimfundamentalisme. Die heeft dezelfde soort dimensies als de Koude Oorlog. Dat is niet iets van morgen, van Irak en dan is het gebeurd. Irak is eerder een factor waardoor het zich elders verhevigt. Die hele oorlog geeft nu al aanleiding tot bewegingen waarbij men vrienden voor het eigen kamp tracht te winnen met ontwikkelingshulp, denk aan Kazachstan en Oezbekistan, waar je anders niets zou doen. Dat is de dood in de pot. Ik ben niet optimistisch over de komende jaren. Deze oorlog zal even diep ingrijpen als de Koude Oorlog.''

Voor de Wereldbank als geheel geldt volgens Ritzen dat Wolfensohn goed heeft gesproken, maar relatief ver van het dagelijkse werk afstaat. Zijn vier managing directors werden meer als waakhonden gekozen dan als uitvoerders, dus daar werd het resultaat niet beter van.

,,Al met al heeft hij in zeven jaar een fantastische prestatie geleverd door nieuwe vormen van denken over ontwikkelingshulp mee vorm te geven. Wolfensohn heeft goede ideeën neergelegd. Hij had er alleen veel meer van kunnen invoeren.''