Het midden ligt ergens anders

Met name de Partij van de Arbeid heeft nog veel vragen te beantwoorden en veel uit te leggen. Maar CDA en PvdA hebben in hun ideeën over normen en waarden en over burgerschap zoveel raakvlakken dat ze daarin een leidende gedachte moeten kunnen vinden die van een coalitie meer maakt dan een samengaan tegen wil en dank, vindt Paul Scheffer.

Zo werden we wakker in het land van Balkenende en Bos. Beiden hebben gewonnen door een risico te nemen. De één heeft geregeerd in moeizame omstandigheden met een partij zonder ervaring en zonder leider. Die keuze was niet te vermijden en is hem bijna opgebroken. De ander heeft onder even moeilijke omstandigheden verkiezingen binnen zijn onzekere partij gewonnen en is vervolgens met een tamelijk realistische toon de kiezer tegemoet getreden. Ze hebben een risico genomen en gewonnen. En nu worden Balkenende en Bos uitgenodigd tot meer dan een gelegenheidscoalitie.

Het waren vreemde verkiezingen. Een lijsttrekker die zei in de Kamer te blijven zitten met als argument dat hij er niet van overtuigd is dat de vernieuwing van zijn partij werkelijk zal doorzetten. Zo trok hij wel een zware wissel op het vertrouwen. Het was alsof hij tegen de kiezer zei: u en ik hebben iets gemeen, we koesteren beiden een gerechtvaardigd wantrouwen tegen de gevestigde sociaal-democraten. Daarom moet u op mij stemmen, zodat ik ervoor kan zorgen dat mijn partij niet weer terugvalt in oude vormen en gedachten.

Bos gebruikte heel vaak de `ik-vorm' en schudde zo de ballast van het partijverleden van zich af. Geconfronteerd met twaalf jaar sociaal-democratisch onderwijsbeleid antwoordde hij: ,,Wilt u dan dat ik doorga met een slecht beleid? Ik probeer juist iets te leren.'' Dat kan Bos maar één keer doen, straks draagt ook hij een geschiedenis met zich mee. De stemming kan snel weer omslaan. De verkiezingsresultaten van de PvdA de laatste vijftien jaar spreken voor zichzelf: geen enkele keer zijn in die periode twee verkiezingen na elkaar gewonnen.

De grote vraag is of Bos het broze vertrouwen dat hij heeft verkregen zal weten om te zetten in een werkelijke verandering. Dat zal niet gemakkelijk zijn. Sinds de verkiezingen van 1986 verkeert de PvdA in een permanente verbouwing. Hoe vaak hebben we in de afgelopen twintig jaar niet over vernieuwing gehoord? Van rapporten als Schuivende Panelen (1987), Bewogen Beweging (1988) en Een partij om te kiezen, het voorzitterschap van Rottenberg (1992-1995), kritische beschouwingen na de grote verkiezingsnederlaag van 1994 tot en met het vernietigende De kaasstolp aan diggelen (2002), steeds heeft deze partij zichzelf tot verandering willen aansporen.

Waarom is die telkens aangekondigde vernieuwing in halfslachtigheid gesmoord? Die vraag had toch minstens één keer aan Bos moeten worden voorgelegd. Want het vermogen om te leren van eerdere pogingen zou iets kunnen zeggen over zijn onderneming. Wie een beperkt geheugen heeft, beschikt ook niet over een weidse toekomstvisie. Waarom dan die onbevredigende uitkomst van eerdere hervormingen? Zeker is in ieder geval dat de routine van het regeren zwaar weegt. Het is allesbehalve gemakkelijk om de zorg voor het dagelijks bestuur in verband te brengen met een levendige meningsvorming over verder liggende doelen. De kritische houding in het parlement ten opzichte van de eigen regering, die ons nu wordt beloofd, kan snel verzanden in vooroverleg en afstemming als het moeilijk wordt. Zeker met een duidelijke meerderheid van rechts in het parlement. De oude politiek lijkt weer als nieuw, maar hoe bestendig is dat alles?

Een andere reden voor de mislukte vernieuwingsdrang is dat het moeilijk blijkt om de traditie van deze partij op een overtuigende manier in verband te brengen met eigentijdse vragen. Journalisten hadden de moeite moeten nemen om de uitspraken van Bos over veiligheid en integratie, over onderwijs en privatisering te vergelijken met het verkiezingsprogramma van zijn partij. Daar zat nogal wat afstand tussen. Moeten we hem straks houden aan het geschreven of aan het gesproken woord? Met zijn vermogen om dwars door de oude scheidslijn van links en rechts te opereren heeft Bos wel laten zien iets van Fortuyn te hebben opgestoken. Maar na alle improvisatie moet er straks worden gekozen en waarop moet hij dan terugvallen?

Bij de sociaal-democraten bestaan uiteenlopende opvattingen over de politieke opschudding in ons land. Veel van de verantwoordelijken uit de regeringen van Kok zijn van mening dat de kiezers vorig jaar een zeer onrechtvaardig oordeel over hun verrichtingen hebben uitgesproken. Ze zoeken naar genoegdoening en het onverwacht snelle herstel zal ze stijven in de opvatting dat de opkomst van Fortuyn vooral een verschrikkelijk misverstand was, dat het best zo snel mogelijk kan worden vergeten. Gevraagd naar het aantal zetels dat haar partij zou gaan halen zei Jeltje van Nieuwenhoven: ,,Ik zit nu nog eventjes in de fase van de bescheidenheid.'' Hoe lang duurt dat `nog eventjes'?

Daar tegenover staat Bos, en in zijn kielzog een deel van de nieuwe Kamerfractie (maar hoe groot is dat deel?) en naar men mag aannemen een meerderheid van zijn kiezers die van mening zijn dat de 15e mei een keerpunt is. Ze zeggen een verandering te willen die meer is dan stijl, en dat is broodnodig. We zijn nog niet vergeten dat de PvdA weigerde om in te gaan op belangrijke vragen over criminaliteit en rechtshandhaving, over het onderhoud van de publieke sector, meer in het bijzonder van ons onderwijs, over de buitensporig hoge arbeidsongeschiktheid en over het vermogen om samen te leven in een land met zovele migranten. Daar lag toch de voornaamste oorzaak van de neergang.

De nieuwe sociaal-democratische voorman heeft de positie van zijn partij versterkt door tamelijk onbekommerd over die vragen te spreken, maar het herwonnen vertrouwen staat onder een levensgroot voorbehoud. Mocht Bos zijn partij er niet van weten te overtuigen dat een strenger veiligheidsbeleid nodig is, of dat het denken over immigratie en integratie werkelijk herijkt moet worden, of dat een veel kritischer omgang met de privatisering in de publieke sector nodig is, dan ligt een volgende, waarschijnlijk venijniger vertrouwensbreuk met de kiezers op de loer.

De normalisering die zich lijkt aan te dienen is schijn. Het is veel te gemakkelijk om te beweren dat de kiezers terugkeren naar het centrum. Zeker, de twee oude volkspartijen verkeren weer op het snijpunt van de macht en wie had dat gedacht na de enorme nederlaag van beide partijen in 1994? Maar het midden dat ze bevolken ligt inmiddels ergens anders. Het midden is het midden niet meer. De maatschappelijke consensus over belangrijke vragen van onze samenleving is onmiskenbaar verschoven. Een nieuwe regering die daar geen rekening mee houdt zal niet alleen een kort leven beschoren zijn, maar ook de grondslag leggen voor een nieuwe opstand der burgers.

Zo wordt duidelijk dat de politiek niet zozeer vorm geeft aan de samenleving, maar dat een wending in de politieke verhoudingen vooraf wordt gegaan door maatschappelijke woelingen, zoals bijvoorbeeld in de jaren zestig. Zo is het ook nu: in de samenleving is een breuklijn zichtbaar geworden, die niemand kan negeren. De culturele omslag voor eenieder duidelijk: na de vrijmaking van de burger staat nu de bescherming van diezelfde burger op de voorgrond. Dat is niet alleen iets van de oude wijken, ook de welvarende middenklasse vraagt daarom. De opkomst van populistische bewegingen in tal van Europese landen heeft dat aangetoond. Elke coalitie zal deze veranderende tijdgeest ten volle tot zich door moeten laten dringen.

Ook aan Balkenende moeten vragen worden gesteld. Hij zegt zwaar te leunen op de christendemocratische traditie, maar vooralsnog is hij er niet in geslaagd om zijn debat over `normen en waarden' meer te laten zijn dan zeer onbepaalde klachten. Juist op het terrein waarop hij zich zo wilde engageren moet het allemaal nog blijken wat hij aan vernieuwing tot stand zou kunnen brengen. Dat geldt ook voor de sociale traditie binnen zijn partij: niemand zal willen ontkennen dat in magere tijden een zorgvuldige boekhouding van belang is, maar het achterstallige onderhoud van de publieke voorzieningen vraagt om meer dan dat.

Zo lijken we terug bij de tweede helft van de jaren tachtig, toen sociaal-democraten en christen-democraten langzaam toenadering zochten en uiteindelijk vonden. De jaren waarin de kersverse Kok met overtuiging zijn partij in de richting van de regeermacht stuurde en Lubbers ervan probeerde te overtuigen dat een stabiele coalitie mogelijk was. Dat bleek allemaal moeilijker te zijn dan gedacht – wie herinnert zich de WAO-crisis niet? – maar uiteindelijk leverde die samenwerking toch een bijdrage aan een evenwichtige modernisering van de verzorgingsstaat.

Uit die periode valt wel iets te leren: coalitievorming moet een regering opleveren die meer wil dan goed beheer alleen. Dat laatste moet niet onderschat worden, maar er is behoefte aan een paar richtinggevende ideeën, die de regering bijeen kunnen houden. Het eerste paarse kabinet slaagde er wel in om een samenhangende ambitie te formuleren. De partij die nu op elkaar zijn aangewezen, moeten de tijd nemen om zich in elkaars gedachtengoed te verdiepen. Ze moeten een leidende gedachte vinden die van zo'n coalitie meer maakt dan een samengaan tegen wil en dank.

Dat kan heel goed: beider tradities hebben voldoende raakvlakken. Midden jaren tachtig waren christendemocraten bijvoorbeeld verwikkeld in een belangwekkend debat over de grenzen van de verzorgingsstaat. Men kwam toen met ideeën over de `zorgzame samenleving'. Een benadering die op tal van punten raakt aan het nogal ongerichte debat over `normen en waarden'. Een enigszins stabiele regering maakt het nodig dat de PvdA zich een mening vormt over deze zoektocht, die immers veel te maken heeft met de eigen traditie van gemeenschapszin en sociale rechtvaardigheid. De menging van realisme en moralisme die beide partijen bij uitstek kenmerkt zou tot iets duurzamers moeten kunnen leiden.

Beide benaderingen kunnen elkaar vinden in een verplichtende opvatting over burgerschap. Dat zou uitgewerkt moeten worden waar het gaat om een meer betrokken omgang met de integratie van nieuwkomers. Maar daar niet alleen, want de vraag naar burgerschap moet eenieder in gelijke mate raken. Wat zegt het over de staat van onze publieke voorzieningen dat er zo weinig mensen te vinden zijn die nog voor de klas of aan het ziekenhuisbed willen staan? Wat willen we eigenlijk overdragen in het onderwijs: hoort daar niet een veel doordachter idee over burgerschap bij? Vraagt een betere rechthandhaving niet om een nadere omschrijving van rechten en plichten? En: hoe kan de invloed van burgers op het bestuur worden vergroot? Zo'n samenbindende gedachte biedt meer mogelijkheden dan een afstandelijk regeerakkoord.

Tegelijk moet veel meer tijd dan gebruikelijk worden besteed aan de samenstelling van het kabinet. Beide partijen zouden hun kandidaten moeten toetsen aan het oordeel van de ander. Gezocht moet worden naar mensen die iets gemeenschappelijks tot stand willen brengen in het besef dat de onvrede hen op de hielen zit. Regeerders moeten eigenzinning zijn en over het vermogen tot samenwerking beschikken. Dat zal niet gemakkelijk te combineren zijn, maar het moet wel. Het zou helpen wanneer er gezocht wordt naar mensen die al vóór de verkiezingsnederlaag van afgelopen jaar in handelen en opvattingen van die veranderingszin hadden getuigd.

Zonder een samenbindende gedachte, zonder een wederkerige interesse voor elkaars gedachtengoed, zonder de wil om meer dan een gelegenheidscoalitie te sluiten en zonder politici die zoeken naar een doorbraak, zal deze regering van het nieuwe midden snel uiteenvallen. Na de verloren jaren die het einde van het tweede paarse kabinet markeren en na het jaar crisis dat erop volgde, zou een wankele regering rampzalig zijn voor het vertrouwen van burgers in het landsbestuur. Balkenende en Bos zullen zich moeten realiseren dat het ijs waarop ze schaatsen flinterdun is.

Pas over vijf jaar zullen we weten of de opkomst van Fortuyn het begin was van een verandering in de politieke cultuur van Nederland of dat het langzame uiteenvallen van het laatste paarse kabinet het begin was van een lange periode van een onzeker en verdeeld bestuur. Dat laatste valt niet uit te sluiten en daarom kunnen de twee winnaars van deze verkiezing het zich niet veroorloven om hun toenadering uit te stellen. Balkenende legt terecht alle nadruk op de inhoud van een regeerakkoord, maar zijn ontwijkende houding maakt de afstand nodeloos groot. Beter zou het zijn om Bos tot een heldere stellingname te verplichten. Beiden zullen uit de nood een deugd moeten maken: ze hebben eerder bewezen dat te kunnen.

Paul Scheffer is publicist.

    • Paul Scheffer