Geluidsmuur

Ik heb de zee zien branden, in Melbourne.

De Australian Open wil ik doorgaans maar met een half oog volgen. Het weer is mij daar te mooi, het vallen van de ijsblokjes te zangerig, de regenboog van parasols te vettig van kleur. Wat moet je met de Australian Open als thuis de ramen daveren van de regen? Zie mij daar nu liggen met dat electrische kussentje in de rug terwijl Venus en Serena, Kim en Justine de hete zomer van zich af slaan.

Gelijke kansen, de wereld is er niet naar gemaakt.

Ach tennis. Tot op die memorabele woendag in Melbourne het titatengevecht begon tussen Andy Roddick en El Aynaoui. Sport uit de oude doos, nooit eerder gezien. Drama zoals je dat in de zwaarste bergetappe van de Tour in geen jaren meer hebt meegemaakt. Niets van de moderne tijd - clips, soaps, reclamespots, softporno - kan de ontroering benaderen die Roddick en El Aynaoui voor ons in petto hadden. Zelfs de elfstedentocht verzonk in het niets van een gezelschapsspel.

Vijf uur tennis in de brandende hitte. Met een vijfde set die eindigde op 21-19. Beurscijfers. Pure heroïek aan het net en op de baseline. Uitgedroogde lichamen, verzuurde benen, knikkende knieën, doodse blikken, een leeg hoofd, en het balletje bleef maar omhoog gaan. De heren strompelden van game naar game, zoals vroeger soldaten terugkwamen van het front. Niets of niemand zal deze sportwedstrijd dit jaar nog overtreffen. De match eindigde met twee slachtoffers die nog net de kracht hadden om in elkaars armen te vallen.

Ik hoorde dat Boris Becker en Omar Camporese in 1991 nog 11 minuten langer op de court hebben gestaan: 5.11. Het zal wel. Na de wedstrijd zei El Aynaoui: ,,Ik heb net mijn ouders gesproken. Ze hebben vijf uur voor de televisie gezeten en waren vermoeider dan ik.'' Zo voelde ik mij ook: doodvermoeid, uitgewoond bijna, alleen al van het kijken en van het tellen van de rebreaks.

De finale van de Australian Open zegt mij niets meer. Ik heb het hoogtepunt gehad: kannibalisme met een menselijk gelaat. Toevallig waren het twee heren met charisma, de oude Marokkaan en de Amerikaanse youngster. Ze gaven ons tijdens de wedstrijd inzagerecht in hun lijden en hun hoop, in hun verwarring en humeurigheid. Dan kom je dicht bij het epos. Gaandeweg zag ik twee tennissers het spiegelbeeld worden van onze obsessies: vallen en opstaan. Dood van ziel en darmen en toch maar doorkachelen, eigenlijk tegen beter weten in.

Roddick en El Aynaoui hebben in hun uitputtingsslag een soort geluidsmuur doorboord. Zij zijn het ijkpunt van de toekomst geworden voor drama en competitie, voor schoonheid en braaklust. Heroïek op souplesse is defintief uit. Lance Armstrong zal een andere pedaalslag moeten vinden om te imponeren. Bungeejumpers schieten tekort met hun gebruikelijke doodsverachting.

De wreedheid van sport, ook dat werd die woensdag in Melbourne satanisch duidelijk. Zo'n wedstrijd mag geen verliezer kennen. Dan hoor je als tennisbond in te grijpen: hop, samen naar de volgende ronde. Regels zijn tenslotte ondergeschikt aan normen en waarden, ook in de sport. Of denkt het wereldgeweten Balkenende daar opeens weer anders over? Je weet het nooit met de christelijke zwaailichten van de moraal.

Het mooie van tennis, bedenk ik nu, is de afwezigheid van randfiguren. Er staat geen schreeuwlelijk aan de zijlijn en ook geen strategisch denker. De jongens en meisjes doen het naar eigen inzicht, zij het soms aan een onzichtbare draad met hun moeder, hun lief of hun coach in de tribune. Zelfs de fysiotherapeut moet bij blessures van heel ver komen. Toen Justine Henin op de baan lag te kermen met krampen dacht ik: waar blijft die masseur, moet hij nog worden ingevlogen? De maffia van het circuit is nog echt maffia: onzichtbaar.

Zoals Rouwvoet in de Heer is, ben ik nu in het tennis. Met excuses voor alle vooroordelen die ik heb uitgedragen. Alles wat ik als tennisexegeet gezegd heb over elitarisme, muffigheid, vrijetijdsbesteding, catwalk-kapsones neem ik bij deze terug. Roddick en El Aynaoui hebben mijn ogen geopend: Marco Pantani is een pelgrim in de bergen, maar een held is hij niet. En Michael Boogerd die sinds zijn geboorte uitpakt met het monopolie van de dood is nog nooit doodgegaan. Deze week in Melbourne, ja, daar was sterven groter dan het leven.

    • Hugo Camps