Geen nieuws, dan gebeurt er ook niets

In de landen in Midden- en Oost-Europa vervullen de tientallen radiozenders nog steeds een zeer prominente rol in het politieke landschap. Helemaal uitgebalanceerd is het radiobeleid nog niet.

Het is nog maar een paar jaar geleden dat de Servische taxichauffeur avond aan avond in zijn auto zat te wachten. Niet op klanten, want in het late voorjaar van 1999 durfde geen mens de deur uit. Zodra het donker werd verschenen de NAVO-bommenwerpers in de lucht. Dagen achtereen wierpen ze hun bommen uit boven de wapenfabrieken van Kragujevac. De bewoners wachtten gespannen in hun flatjes. De propagandamachine van Slobodan Miloševic draaide op volle toeren via de staatstelevisie en de staatsradio. Onafhankelijke Servische media was het zwijgen opgelegd. Niemand wist waar hij aan toe was.

Behalve de taxichauffeur die in zijn auto een kortegolfontvanger had ingebouwd. Urenlang zat hij tussen het luchtalarm door te luisteren naar de berichten die Radio Free Europe en de BBC in het Servisch uitzonden: over de strijd op de grond in Kosovo tussen Joegoslavische strijdkrachten en opstandige Albanezen, over de etnische zuiveringen en het vluchtelingendrama, over de niet aflatende bombardementsvluchten op Servië, over de houding van de Russen en de Amerikanen, over de opbouw van een gigantische vredesmacht vanuit Macedonië. Terwijl Miloševic nog victorie kraaide wist de eenzame taxichauffeur in Kragujevac al dat het bijna afgelopen was. De informatie die hij uit de krakende ether opving, was in die dagen zijn enige houvast.

In 1999 vond je zulke mensen alleen nog in het Joegoslavië van Miloševic. Maar tien jaar eerder leefde de hele intelligentsia van Midden- en Oost-Europa zo. Van Tsjechoslowakije tot Polen en de Sovjet-Unie deelden mensen hun dag in aan de hand van de uitzendschema's van de Westerse `propagandazenders': Voice of America, Radio Free Europe, Radio Liberty , BBC en Deutsche Welle.

De eigen staatsradio stond onder strenge censuur van de communistische partij en verveelde de mensen met opgeblazen cijfers over de oogst en vijfjarenplannen die binnen de gestelde termijn gehaald zouden zijn. Voor echt nieuws – zelfs uit je eigen straat – moest je bij de buitenlandse zenders zijn. Verzet, demonstraties en opstanden tegen de communistische dictatuur konden zich pas ontwikkelen nadat deze internationale zenders het nieuws weer terugstraalden.

In 1989 werd alles anders. Het communistische bouwwerk zakte in elkaar en de staatsradio bleef verweesd achter in gigantische gebouwen vol verouderde apparatuur. Onder de nieuwe vrijheid schoten de privé-stations als paddestoelen uit de grond. Frequenties te over. Als je een zender in elkaar wist te knutselen, een mengpaneeltje kon vinden en voldoende eierdozen bij elkaar wist te sparen om de muren te isoleren, kon je gaan zenden. Zo begon een creatieve Amerikaan in Bratislava rockmuziek te draaien onder de naam Dicky's Rocking Radio. In Boedapest werd Tilos Radio (Verboden Radio) het station van de alternatieve scene, een Hongaarse variant van Radio de Vrije Keizer in Amsterdam. Het zijn maar enkele voorbeelden.

Het radiolandschap van Midden- en Oost-Europa werd in korte tijd totaal nieuw ingekleurd. Landen als Polen, Tsjechië, Slowakije en Hongarije hebben inmiddels vele tientallen verschillende FM-zenders die landelijk of plaatselijk uitzenden. Veel van deze nieuwe stations zenden inmiddels ook via internet of via de satelliet uit. De ontwikkeling is met nieuwe digitale technieken in een stroomversnelling gekomen.

Helemaal uitgebalanceerd is het radiobeleid in de nieuwe democratieën nog niet. Politiek blijkt de verleiding groot om een vinger in de pap te houden. Zo leidt iedere regeringswisseling in deze landen tot deining in het medialandschap. De staatsradio is tegenwoordig formeel onafhankelijk. Maar in praktijk volgen de ontslaggolven bij de staatsradio het politieke klimaat. Is links (lees voormalige communisten) aan de macht, dan worden rechtse radiomakers naar huis gestuurd, komt rechts weer aan de macht, dan worden de linkse programma's langzaam maar zeker weggedraaid. Ook de Raad voor de radio en televisie, een soort mediaraad die toeziet op de inhoud van de programma's, is steevast inzet van politieke strijd. Veel politici blijven de staatsmedia beschouwen als een verlengstuk van de politieke macht.

Ook in het circuit van onafhankelijke, commerciële zenders speelt politiek een duidelijke rol. Het duidelijkste voorbeeld is het extreem-rechtse Poolse radiostation Radio Maryja dat bestaat bij de gratie van `donaties'. Het station van Vader Rydzyk trakteert de Poolse luisteraar 24 uur per dag op gebeden, bijbellezingen en complete kerkdiensten, gelardeerd met anti-Europese, antisemitische en antiliberale discussies. De leiding van de rooms-katholieke kerk in Polen heeft een eigen tegenstation opgericht, Radio Jozef, dat gematigd tegenwicht moet bieden tegen de uitspraken van de extreem-rechtse katholieken.

Radio Pannon in Boedapest heeft lang niet de reikwijdte van Radio Maryja, maar doet er in rechts-extremisme nauwelijks voor onder. Radio Pannon is door de Hongaarse mediaraad verschillende keren op de vingers getikt. In 2001 oordeelde de mediaraad dat het station regelmatig uitlatingen deed die de joodse minderheid met opzet in een kwaad daglicht stelde en diep beledigend was voor Roma (zigeuners) en homoseksuelen. ,,Radio Pannon heeft zijn reële of ingebeelde tegenstanders niet eens de mogelijkheid van een weerwoord gegeven'', aldus de raad.

De `onafhankelijke' nieuwszenders spelen een belangrijke rol in de strijd om de politieke macht. Zo was Radio Twist in Bratislava jarenlang de belangrijkste tegenstander van de autocratische Slowaakse leider Vladimír Meciar. Zonder de steun van deze onafhankelijke zender en de activistische rol van een aantal verslaggevers had de verzamelde oppositie in 1998 Meciar nooit een verkiezingsnederlaag kunnen bezorgen. In Joegoslavië is de onafhankelijke zender B-92 een van de belangrijkste politieke podia. In Polen bepaalt Radio Zet als eerste wat wel of niet nieuws is en haasten de politici zich 's morgens hun bed uit om in de ontbijtshow aan te mogen schuiven.

Het medialandschap is inmiddels dichtbevolkt geraakt. Belangengroepen, commerciële goud-van-oud draaiers en binnen- of buitenlandse mediaconcerns verdringen zich om frequenties en zendmachtigingen. Een van de aardigste is het Roma station Radio C in Boedapest dat in 2001 eindelijk een frequentie kreeg. In de Hongaarse hoofdstad wonen meer dan honderdduizend zigeuners die voor het overgrote deel in armoede leven. Ze hebben voor het eerst een station dat hen in hun eigen taal toespreekt over hoe ze hun kinderen naar school kunnen sturen. ,,Roma hebben informatie nodig, voor ons is het gemakkelijker om de radio aan te zetten'', aldus een Roma-medewerker.

    • Renée Postma