Esoterie en hellenisme

De opgraving van de centrale tempel van het `vergeten koninkrijk' Kommagene is handen van Nederlandse archeologen. En dat is bijzonder voor zo'n belangrijk project. Allemaal dankzij de hulp van een architect en zakenman die de vergunning wist te verwerven.

Dat was even schrikken voor archeoloog Eric Moormann. Nietsvermoedend en een tikje trots had hij afgelopen zomer een Duitse journalist van Der Spiegel te woord gestaan over het onderzoek van zijn team op de berg Nemrud in Zuidoost-Turkije. Maar even later moest hij in het Duitse weekblad lezen dat ze zo ongeveer voor schatgravers werden uitgemaakt – het ergste scheldwoord waarmee je een archeoloog kunt treffen. Onder het mom van wetenschappelijk onderzoek zouden Moorman en zijn medewerkers eigenlijk maar één doel hebben: het vinden en openen van de grafkamer van Antiochos I, van 69 tot 34 voor Christus heerser van het onafhankelijke koninkrijk Kommagene. ``Een verdraaid verhaal'', verzucht Moormann van het Amsterdams Archeologisch Centrum (AAC) en sinds kort ook hoogleraar Klassieke Archeologie in Nijmegen.

De berg Nemrud ligt in het zuidoosten van Turkije. Tegen de Syrische grens, voorbij het Taurusgebergte en ruim honderd kilometer ten westen van Diyarbakir. De berg is kaal en de omgeving dor. Boortorens en jaknikkers domineren verderop het landschap. Een groot verschil met ruim tweeduizend jaar geleden, toen op de heuvels van Kommagene nog eiken en platanen groeiden en de valleien vol waren van graanvelden, olijfbomen, oleanders, granaatappelbomen, druivenstruiken en bomen vol walnoten.

In de negende eeuw voor Christus dook Kommagene voor het eerst op in de annalen, als een vazalstaat van het rijk van de Assyriërs. In de daarop volgende eeuwen hoorde het gebied achtereenvolgens toe aan de Babyloniërs, de Perzen en de erfgenamen van Alexander de Grote. Pas in 130 voor Christus werd het een onafhankelijk Hellenistisch koninkrijk, dat twintig jaar later zijn bloeiperiode begon.

Kallinikos

Vorst Mithradates I deed zijn best om zijn onderdanen, die van de handel tussen oost en west leefden en uit alle streken afkomstig waren, een gevoel van eenheid bij te brengen. Hij ging spelen organiseren, waaraan hij zelf meedeed en die hem de bijnaam Kallinikos, `hij die mooi wint', opleverde. Verder sloot hij een verbond met de goden die Kommagene moesten beschermen. Overal in het land liet hij kleine heiligdommen bouwen ter ere van hen. Om te benadrukken dat Kommagene op een tweesprong van culturen lag, kregen de goden zowel een Griekse als Perzische naam. De oppergod heette dus zowel Zeus als Oromasdes.

Het belangrijkste heiligdom was op de ruim tweeduizend meter hoge berg Nemrud, de hoogste van het land. Op grote stenen reliëfs stonden de afbeeldingen van wat Mithradates zag als zijn Griekse en Perzische voorouders, te beginnen bij Alexander de Grote en Darius. Verder was er een horoscoop met een afbeelding van het sterrenbeeld Leeuw.

Mithradates' zoon en opvolger Antiochos I maakte vanaf 69 voor Christus het heiligdom nog grootser. Hij liet de berg aftoppen om er een vijftig meter hoge tumulus op te laten bouwen. Aan drie zijden kwamen grote terrassen met tien meter hoge beelden van onder meer Antiochos, de personificatie van Kommagene en de belangrijkste goden, allemaal in een stijl die een mengeling van Grieks en oosters is te noemen.

Intussen waren politiek moeilijke tijden voor het koninkrijk aangebroken. Kommagene zat tussen twee vuren. In het westen de Romeinen, die hun rijk steeds meer naar het oosten uitbreidden en in het oosten de aartsvijanden van de Romeinen, de Parthen. De hoofdstad Samosata fungeerde de eerste jaren nog als onafhankelijke ontmoetingsplaats voor Kommageners, Parthen, Romeinen, Grieken en Arabieren, maar dat kon zo niet doorgaan. Antiochos moest kiezen, koos voor de Parthen en huwelijkte zijn dochter aan de vorst van de Parthen uit.

Invallen van de Romeinen konden daarna niet meer uitblijven. Dankzij het gevreesde wapen van de Kommageners, de zwaar bepantserde cavalerie die als een stoomwals de vijand verpletterde, kon Antiochos de eerste aanvallen afslaan en zelfs het leger van Marcus Antonius op de vlucht jagen. Maar na Antiochos' dood in 36 v.Chr. werd het koninkrijk een vazalstaat, met Antiochos's zoon Mithridates II als Romeinse zetbaas. Een eeuw later, in de verwarring van het Vierkeizerjaar 69, wist Antiochos IV korte tijd de onafhankelijk van Kommagene te herstellen, maar in 74 werd hij verpletterend verslagen en werd het gebied bij de Romeinse provincie Syria gevoegd.

In de eeuwen erna raakten Kommagene en het afgelegen heiligdom op de berg in het westen in de vergetelheid, vertelt Eric Moormann. Classicus David van Lennep, de vader van schrijver Jacob, schreef in 1828 op basis van geschreven bronnen nog wel een dissertatie in het Latijn over het koninkrijk, maar pas in 1881 zag Karl Sester als eerste westerling het heiligdom met eigen ogen. De Duitser, als ingenieur betrokken bij de aanleg van een spoorlijn naar Bagdad, organiseerde een jaar later een expeditie met de Duitse geleerde Otto Puchstein om het heiligdom te beschrijven en aan een eerste onderzoek te onderwerpen.

Puchstein publiceerde onder andere de teksten die achterop de beelden werd aangetroffen, waarin Antiochos over zijn bedoelingen met het heiligdom spreekt en vertelt dat hier ook zijn graf ligt.

``Een Nederlandse architect wil op de berg Nemrud de tombe van koning Antiochos zoeken. Zijn esoterische echtgenote zal hem de weg wijzen. Archeologen zijn onthutst'', moest Moormann in Der Spiegel lezen. Hij had een lang en prettig gesprek gehad met de Duitse correspondent in Turkije van het weekblad, maar zag tot zijn verbazing in het artikel er weinig van terug. Ook vreemd: van alle medewerkers aan het onderzoek werd alleen Maurice Crijns, `een lekenarcheoloog', bij name genoemd.

Crijns, bouwkundig ingenieur en directeur van een bedrijf dat kunststof isolatiepanelen maakt, is inderdaad geen archeoloog. Maar het is wel aan hèm te danken dat Nederlandse archeologen het heiligdom, dat sinds 1987 op de Werelderfgoedlijst van de UNESCO staat, mogen onderzoeken. Dat is opvallend, want dergelijke belangrijke sites zijn van oudsher het onderzoeksterrein van de `grootmachten', van Amerikanen, Engelsen, Fransen of Duitsers.

Het was dan ook een oude Duitse archeoloog, Karl Friedrich Dörner, die in de jaren tachtig onderzoek op de berg deed. Crijns ontmoette de Duitser bij toeval, wist hem van zijn interesse in Nemrud en zijn kunnen te overtuigen en kreeg het aanbod om diens projectmanager te worden. Dat ging niet door, omdat Mercedes zich als sponsor terugtrok en Dörner overleed. Eind jaren negentig besloot Crijns een nieuwe poging te wagen en kreeg hij het na heel veel handjes schudden voor elkaar dat het Turkse ministerie van Cultuur hem een vergunning voor archeologisch onderzoek wilde geven. Op één voorwaarde: volgens een nieuwe wet moest de vergunninghoudende wel een archeoloog zijn. Crijns zocht contact met het Deutsches Archäologisches Institut in Istanbul en stelde met de directeur een contract op dat hij via de door hem opgerichte International Nemrud Foundation voor geld zou zorgen en de Duitsers voor de benodigde archeoloog. Toen de Duitsers na lang aandringen het contract maar niet wilden tekenen, kreeg hij het gevoel dat ze zonder hem aan het werk wilden gaan en ging hij in Nederland op zoek naar een archeoloog. Via Leiden kwam hij terecht in Amsterdam bij Herman Brijder, hoogleraar Klassieke Archeologie van de Universiteit van Amsterdam. Brijder, die voor het leven de persoonlijke vergunninghouder is geworden, stelde Moormann aan als projectleider. Het project wordt uitgevoerd onder verantwoordelijkheid van Universiteit van Amsterdam.

En dat zit de Duitsers nog steeds niet lekker, denkt Moormann. Vandaar het Duitse artikel, waarin trouwens maar één criticus aan het woord komt, een Turkse epigraaf die door de Nederlandse aanwezigheid zijn onderzoeksterrein is kwijt geraakt.

Toetanchamon

Maar hoe zit het dan wel met de `esoterische Ehefrau' van Crijns? Zucht. Crijns heeft het er liever niet over, omdat het zo gemakkelijk gebruikt kan worden om het onderzoek belachelijk te maken. Maar vooruit. Zijn vrouw heeft altijd gezegd dat ze bij de bouw van het heiligdom betrokken is geweest, in een vorig leven dus. Crijns vond dat allemaal best, bracht met haar een bezoek aan Nemrud en kwam in contact met Dörner. Die moest niks van hen hebben, tot zijn vrouw vertelde dat een trap die Goell gereconstrueerd had niet haaks op het terras had gestaan. De Duitser was die zomer óók tot die conclusie gekomen, maar dat kon niemand weten, want het was `noch nicht publiziert'. Crijns hoort het hem nog zeggen. Gelukkig heeft hij brieven van Dörner hierover bewaard. Zijn vrouw had ook al gezegd dat de horoscoop niet van Antiochos, maar van Mithradates was geweest. Ze heeft ook de locatie van de tombe aangewezen. Het is dezelfde plek als die een Duitse geofysicus na onderzoek heeft genoemd. Zijn vrouw heeft alles nu gezien, ze is er klaar mee en nergens meer bij betrokken. En die opmerking op de website (www.nemrud.nl), dat de ontdekking van de tombe net zo bijzonder zal zijn als die van Toetanchamon, gaat ook weg. Hij was bedoeld om sponsors te trekken, maar leverde hem alleen maar nadelen op.

En nee, Moormann ontkent niet dat ze de tombe willen vinden, maar het is niet hun belangrijkste doel en ze zullen het zeker niet doen zoals Theresa Goell. Deze markante Amerikaanse archeologe zat van 1953 tot 1973 jaar in, jaar uit weken achtereen op de berg – met ruim honderd man die voor haar werkten. Ze was rijk en financierde alles zelf, alleen vergat ze, afgezien van een enkel artikel in National Geographic, haar werkzaamheden te publiceren. Pas zes jaar geleden zijn haar aantekeningen en tekeningen postuum gepubliceerd. De laatste jaren van haar onderzoek had ze nog maar één doel: de tombe vinden. ``Daarvoor heeft ze zelfs dynamiet gebruikt en op vier plaatsen delen van de berg opgeblazen'', weet Moormann. Achter de reusachtige beelden op het oostelijke terras zijn de sporen nog te zien.

En wat je van Crijns ook mag vinden, hij is niet de rijke stinkerd die zo maar even een paar miljoen geeft, zegt Moormann over zijn belangrijkste financier. Hij noemt hem `zuinig, nuchter, praktisch en professioneel'. Dankzij hem werken de archeologen en andere experts, die bij het onderzoek zijn betrokken, met de modernste apparatuur zoals 3-D-scanners en lasers.

Voorlopig gaat het vooral om het in kaart brengen van het hele heiligdom en kijken hoe vijf ton wegende brokstukken het beste getakeld kunnen worden. Door aardbevingen, erosie, beeldenstormen en toeristen zijn veel reliëfs en beelden verweerd of liggen (bijna) uit elkaar. Het eerste doel van het project is daarom om alles zoveel mogelijk in oude staat terug te brengen. Crijns heeft er voor gezorgd dat het prestigieuze World Monuments Fund daarbij helpt.

    • Theo Toebosch