De geur verdwijnt uit de kerk

Oprukkende landbouw en intensieve tapperij bedreigen het voortbestaan van de wierookbossen in Ethiopië en Eritrea.

Nog even en het geurt niet meer in kerken, want de productie van wierook is in gevaar. In zijn inaugurele rede aan de universiteit van Wageningen beschreef Frans Bongers vorige week hoe de wierooktapperij in Eritrea een bedreiging vormt voor de wierookboom, de Boswellia papyrifera.

Wierook, een zogeheten oliegom dat al sinds 1700 voor Christus werd gebruikt vanwege zijn welriekendheid, wordt vooral gebruikt in kerken. Een van de grootste producenten ter wereld van kerkwierook is gevestigd in Nederland. Het Bladelse bedrijf The Three Kings koopt jaarlijks zo'n 70 ton wierook, waarvan 50 ton uit Ethiopië en Eritrea. Maar de oliegom dient ook als grondstof in de parfumindustrie en als basis voor vernis en verf. Voor Eritrea is het een van de belangrijkste exportproducten.

Bongers beschrijft in zijn inaugurele rede dat veel wierookbossen zijn verdwenen ten gunste van landbouwgrond. De bossen die overbleven liggen daardoor vaak in moeilijk toegankelijke gebieden op steile hellingen. Uit onderzoek is gebleken dat er te intensief wierook wordt gewonnen uit de bomen. Als gevolg daarvan produceren de bomen nu zo'n dertig procent minder bloemen en dus ook minder zaden. Bovendien zijn de zaden van intensief getapte bomen zo'n 40 procent kleiner dan van normale bomen. Sommige zaden zijn zelfs helemaal leeg. Het kiemen van de zaden wordt daardoor bemoeilijkt. In de wierookbossen laten de boeren hun vee grazen. De jonge planten die er groeien worden daardoor vaak opgegeten of vertrapt, en de wierookboom groeit toch al erg langzaam.

Een wierookboom produceert jaarlijks zo'n twee tot drie kilo wierook. Die wordt gewonnen door verticale inkepingen te maken in de bast van de boom. Dat gebeurt in de droge tijd, als de bomen geen bladeren hebben. Tappen in de natte tijd is moeilijk, omdat regen heel slecht is voor de kwaliteit van de wierook. De totale productie lag in het jaar 2000 op 1.800 ton. Veel van de wierook wordt in Eritrea zelf verwerkt. De Eritrese export van wierook daalde van 2.000 ton in 1974 tot ongeveer 500 ton in het jaar 2000.

Het onderzoek naar de wierookboom past in het kader van Bongers' pleidooi om meer aandacht te besteden aan zogeheten `droge' tropische bossen. Volgens Bongers heeft de wetenschap zich te lang geconcentreerd op de `natte' bossen. Omdat die met het beeld ,,van wildernis, van uitgestrekte, eeuwige wouden'' aan een romantisch gevoel appelleren.

Droge bossen zijn volgens Bongers vaak secundaire bossen. Dat wil zeggen dat de mens er zijn sporen flink heeft nagelaten. Ze worden om die reden meestal gezien als ,,gedegradeerde systemen, zonder veel waarde''. Maar dat is niet terecht, want volgens hem hebben secundaire bossen wel degelijk grote betekenis, juist omdat ze vaak in de nabijheid liggen van de lokale bevolking.

De bossen zijn belangrijke leveranciers van vruchten, medicinale planten en hout – zowel brandhout als dure tropische houtsoorten. Daarnaast wordt, zoals Bongers het formuleert, ,,biomassa [...] snel opgebouwd, en deze bossen hebben dus een functie in het vastleggen van koolstof uit de atmosfeer, in relatie tot het broeikaseffect''. Verder spelen secundaire bossen een grote rol bij het tegengaan van erosie en kunnen ze primaire bossen met elkaar verbinden waardoor ze bijdragen aan de instandhouding van de veelheid aan plant- en diersoorten.

Secundaire bossen moeten volgens Bongers daarom ook niet als verloren worden beschouwd. In tegendeel: ,,We moeten meer ons best doen om te kijken hoe we duurzaam gebruik kunnen maken van die bossen.'' Bongers schat dat er in de tropen nu al tussen de 340 en 530 miljoen hectare secundair bos is, ongeveer een derde van het totaal. Hij vindt het onderscheid met primaire bossen in feite achterhaald. Want, stelt Bongers, ,,binnen niet onafzienbare tijd zullen primaire bossen waarschijnlijk alleen nog maar bestaan in wat reservaten''.

Het heeft geen zin om de mens uit de tropische bossen te weren. Het gaat er om menselijk ingrijpen af te stemmen op de situatie in de bossen. Voor de wierookboom zou dat betekenen dat bijvoorbeeld dat de intensiteit van het tappen moet afnemen, of dat een boom af en toe een jaar met rust wordt gelaten. Verder zou de veehouderij zo veel mogelijk vermeden moeten worden. Ook zou het goed zijn sommige bomen in het geheel niet te tappen. Die bomen, met hun sterkere zaden, zouden dan kunnen zorgen voor de nieuwe aanwas.

Maar dan blijkt dat het biologische onderzoek ook een sociale component heeft. Want voor de plaatselijke bevolking is de aanwas van bos nauwelijks interessant. Alle bomen blijven namelijk eigendom van de staat. Lokale boeren hebben zelf niets aan een nieuwe wierookboom.