Beton en kippenbotjes

Christie's in New York houdt maandag de grootste veiling ooit van kunst van psychiatrische patiënten. Hoogtepunt is een kalkstenen beeldje dat 400.000 euro moet opbrengen.

In het landenpaviljoen van Brazilië op de Biënnale van Venetië hing jaren geleden een aantal ziekenhuislakens. Een psychiatrische patiënt had ze links en rechts, boven en onder, geborduurd met de blauwe draadjes die hij uit het zijn hospitaalpak had gefrutseld. Geweren en kanonnen en soldaten: die lakens leken wel op een mondiaal slagveld, een visie die eigenlijk aardig overeenstemt met de werkelijkheid. Voor zover bekend, heeft alleen deze krant destijds over dat paviljoen bericht. Want zo'n onbekende, zieke meneer met therapeutische borduursels telde als `marginaal' of `outsider' niet mee op zo'n internationale kunstmanifestatie. Al die andere exposanten ben ik vergeten – hem nooit.

Er is intussen heel wat afgeborduurd door eigentijdse, wél erkende kunstenaars. Die lakens uit Venetië heb ik niet meer teruggezien. En dan komt er maandag ineens een veiling in New York, de grootste op het gebied van de `art brut' of `outsider-art' die Christie's ooit gehouden heeft. Maar helaas, tussen de honderdtwintig schilderijen, tekeningen en beelden van vooral psychiatrische patiënten, ontbreekt in de veilingcatalogus weer elk spoor van die Braziliaan.

De stukken bij Christie's zijn verzameld door de Amerikaan Robert M. Greenberg, een pionier in het digitaliseren van film- en mediabeelden, die vanaf de jaren tachtig zowel in Europa als in Amerika jacht maakt op `outsiders'. `Primitiviteit', `waanzin', `ongeremdheid' en nog zo wat werd deze kunstenaars aangerekend. Met de veiling wil Greenberg in Amerika de aandacht voor deze stroming aanwakkeren. Maar marginalen zijn allang niet marginaal meer. Er verschenen genoeg ernstige kunstboeken over, Gent kreeg zijn Museum Dr. Guislain met werk van mentaal gehandicapten en wie in kort bestek theoretisch geschoold wil worden in de `art brut' en de relatie tussen kunst en waanzin, moet het recente themanummer (december) van het Kunsttijdschrift Vlaanderen maar raadplegen.

Theorie is trouwens wel het laatste waar `outsiders' zich om bekommeren. En dat maakt het bladeren door zo'n veilingcatalogus spannender dan het zoveelste voorspelbare, met filosofische rimram volgestouwde kunststerrenboek. Neem nu Eugene von Bruechenhein (1910-1983), die beelden maakte van beton en kippenbotjes, maar daarnaast niet uitgekeken raakte op zijn vrouw en haar steeds tegen een achtergrond van een baldadig bloemengordijn, jaren achtereen naakt portretteerde. De dove analfabeet James Castle (1900-1977) rommelde net zo lang met karton, touwtjes en stukjes hout tot er een vogel of een mannetje tevoorschijn kwam. Een mannetje van 30 cm hoogte moet nu minimaal 18.000 euro opbrengen. En dan is er Michel Nedjar (1947), aan wiens bijna tachtig centimeter lange pop van stof, touwtjes en aarde – goed voor 12.000 euro – menige Afrikaan wel eens fetisj-achtige krachten kan toedichten.

De veiling biedt grote `outsider'-namen als Adolf Wölfli (1864-1930), Bill Traylor (ca. 1852-1949) en Henry Darger (1892-1973). Een leven lang werd Darger in zijn aquarellen gefascineerd door kleine meisjes, hij schreef een autobiografie van vijfduizend kantjes en daarnaast produceerde hij vijftienduizend pagina's over weer andere kleine meisjes.

In menig `outsider'-leven zitten verhalen verborgen die `insiders' niet kunnen verzinnen. Sommigen wanen zich reïncarnaties van een oud-Egyptische dienaars van de farao, en William Edmondson (1882-1931) wist niet beter of het was God die hem steeds tot het beeldhouwen riep. Het hoogtepunt van de veiling, dat ook de catalogus-omslag siert, is van zijn hand: De Ark van Noach, gebeiteld uit kalksteen. Edmondsons Ark is een simpel huisje met een puntdak, neergepoot op een forse rechthoekige basis die op zijn beurt weer op twee onbewerkte bonken kalksteen rust. Hij gebruikte het beeld (met een geschatte veilingprijs van 400.000 euro) als ruggensteun, peinzend in zijn achtertuin in Nashville. Nooit geweten dat Edmondson de allereerste Afro-Amerikaanse kunstenaar en `outsider' was die een eenmanstentoonstelling (1937) kreeg in het Museum of Modern Art in New York, toen nog een blank bolwerk. Waanzin eigenlijk, zo'n ark die altijd en overal meteen wegzinkt. Maakt niet uit, de `outsider' gaat voorbij aan rede en logica, en dat is in de kunst een benijdenswaardige gemoedstoestand.

Veiling: 20th Century Self-Taught and Outsider Art 27/1, 14 uur, 20 Rockefeller Plaza, New York. www.christies.com en www.kunsttijdschriftvlaanderen.be

    • Marianne Vermeijden