Altijd voor elkaar door 't vuur

De zege van Danny Stam en Robert Slippens in de Zesdaagse van Bremen was verrassend nieuws. Voor het eerst sinds 1982 was een Nederlands koppel de beste. De boezemvrienden werden deze week zesde in Stuttgart. ,,We dwingen nu respect af.''

Zelfs op de zonnebank zijn ze onafscheidelijk. Onderweg van het hotel naar de piste parkeren ze de auto op een betaalde parkeerplaats, maar werpen het geld liever in de automaat van het solarium. Het is een vast ritueel tijdens de vijf Zesdaagsen in Duitsland. ,,We zien deze maand geen daglicht en willen niet als een lijk in de rondte fietsen'', verklaren ze hun gang naar de zonnebank.

Goedgemutst en bruingebakken lopen ze even later terug naar de `olympische' wagen, waarop het logo van de sportkoepel NOC*NSF zichtbaar is. Een buitenlandse medewerker van een belendend restaurant waarschuwt hen voor de laatste keer. Als ze weer geen parkeergeld betalen, krijgen ze een bekeuring van 170 euro. ,,Stomme Turk'', roept Danny Stam hem na. ,,Dat mag je niet zeggen'', knipoogt Robert Slippens.

Stam (30) en Slippens (27) zijn boezemvrienden. Bij de junioren waren ze nog kennissen. Slippens: ,,Ik wist vanaf mijn negende dat ik baanrenner wilde worden. Toen zat ik in Ahoy' bij de Zesdaagse van Rotterdam. Duizenden mensen op de banken voor een wielrenner! Op de weg kwam ik tekort. Ik wist dat ik geen Tour de France kon winnen. En een topsporter wil niet altijd dertigste worden. Ik kan nu nog steeds niet met een twaalf rijden'', refereert hij naar zijn onvermogen met een zware versnelling te fietsen.

Stam was aanvankelijk wegrenner, hoewel zijn vader Cees als stayer drievoudig wereldkampioen op de baan was. Danny werd amateur bij Rabobank, dat hem te licht bevond voor een profcontract. ,,Ik gokte op het hoogste en heb mis gegokt. Ik had geen trek in een kleinere ploeg. Toen liep ik een jaar of zes geleden Robert in een discotheek tegen het lijf. Hij heeft me overgehaald naar de baan. Ik heb ingestemd en geen spijt van die beslissing.''

De vriendschap is zó hecht, dat de geblondeerde Stam en de grijzende Slippens door collega's als een Siamese tweeling worden afgeschilderd. Ze zijn bijna onafscheidelijk en delen de nuchterheid die een gemiddelde Noord-Hollander kenmerkt. Stam komt uit Assendelft, Slippens uit Spanbroek. Ze beschikken over dezelfde humor, zo bleek deze week in Stuttgart. Gas geven als de passagier nog in de auto moet stappen, dat soort werk.

Slippens: ,,Ik heb twee vrienden en eentje zit nu naast me. We kijken ergens naar en denken meteen hetzelfde. We vullen elkaar perfect aan. In de koppelkoers los je elkaar in een seconde af. Dan is het zaak met zo weinig middelen zo veel communicatie over te brengen. Danny is de man van het duurvermogen. Ik heb meer topsnelheid en trek de sprints aan. Ik ben geen trainingsbeest, Danny wel. Ik moet hem temperen, hij moet mij opjutten.'' Stam: ,,We hebben alles voor elkaar over. Als je een dag minder goed bent, denk je niet: `lul, zoek jij het lekker zelf uit'. Dat zie je wel eens bij andere koppels. Wij gaan voor elkaar door het vuur.''

ijdens een wedstrijd in Moskou zijn ze wel eens op de fiets van het hotel naar het Rode Plein gereden. Ze kochten een bontmuts en maakten rechtsomkeert. Meer culturele uitstapjes leiden slechts de aandacht af. Ze zijn eerzuchtig en commercieel ingesteld. Een goede klassering vereist een optimale concentratie. Slippens: ,,Heel soms komen onze vriendinnen over, die kunnen goed met elkaar overweg. In Bremen zijn ze vorige week twee dagen voor het einde naar huis vertrokken. Ze dachten dat we toch niet zouden winnen. Die fout maken ze nooit meer. Onze ouders zijn ook goede kennissen van elkaar. Ik weet niet waar we dit allemaal aan te danken hebben. Misschien wel, omdat we zulke aardige jongens zijn.''

De overwinning in Bremen was de eerste Nederlandse zege sinds René Pijnen en Ad Wijnands in 1982 de Zesdaagse van Maastricht wonnen. In die periode zat Slippens als jochie van een jaar of zes op de tribune van Ahoy'. ,,Ik ging met mijn vader naar de Zesdaagse en was meteen verkocht. Heel het stadion ging uit zijn dak! Vorige week reden we een ereronde in Bremen en dacht ik terug aan die ene keer in Rotterdam. Ik had de tranen in m'n ogen en kreeg overal kippenvel.''

Stam vertelt over het langdurige leerproces. ,,We werden eerst van het kastje naar de muur gereden. We demarreerden telkens op het verkeerde moment. Dan ben je na zes dagen helemaal naar de kloten en geen moer opgeschoten. Iemand die er nieuw bijkomt, wordt door de oude garde als indringer beschouwd. Dan gaan ze met vijf koppels tegen je rijden. Je moet dus zorgen dat je een vaste waarde wordt.'' Slippens: ,,Als je naast je schoenen gaat lopen, word je meteen afgestraft. We hadden al respect opgebouwd, die overwinning in Bremen is een bevestiging. We kunnen de grote mannen eindelijk pijn doen.''

Het leefritme tijdens een Zesdaagse is eentonig: uitslapen, ontbijten, masseren, avondeten, bijslapen, fietsen, uitslapen, enzovoorts. Bij thuiskomst hebben de renners het gevoel van een jetlag. Na een paar dagen begint het weer te kriebelen. Stam: ,,Tweehonderd dagen is hobby en de rest is werk.'' Slippens: ,,We maken geinige dingen mee. Vannacht werden we na zes uur fietsen met de auto aangehouden voor een alcoholcontrole. Dat verzin je toch niet?''

Tijdens de massage in de catacomben van de wielerbaan in Stuttgart maken we kennis met de Waalse masseur Raymond Foucannier. De 70-jarige autodidact prijst de soepele kuiten van Slippens, die op zijn beurt dweept met de zachte vingers van de heelmeester. Hij kan met zijn ogen dicht voelen welke benen hij aan het kneden is. Hij noemt de blinde masseur van de Italiaanse campionissimo Fausto Coppi als bewijs van zijn stelling. Zelf bewaart Foucannier goede herinneringen aan de Nederlandse Tourwinnaar Jan Janssen, die in 1968 voor de beslissende tijdrit in Parijs onder zijn handen in slaap viel. Een groter compliment kan een masseur niet krijgen.

Slippens heeft deze middag ook moeite wakker te blijven. Hij noemt de massage ,,een van de vele hoogtepunten'' in een wielerleven. Hij wrijft eens over zijn gladgeschoren benen en vertelt een anecdote over de Belgische wedstrijdleider Patrick Sercu, in de jaren zeventig de onbetwiste `Keizer van de Zesdaagse'. ,,Hij fietst al jaren niet meer, maar laat zich nog graag masseren. Het is gewoon verslavend.'' Niet veel later betreedt Sercu de kleedruimte met twee gesloten enveloppen, eentje voor Stam en eentje voor Slippens. Het premiegeld wordt pas na afloop uitgekeerd.

Slippens geniet van de speciale sfeer in de wandelgangen. Zijn wielertenue hangt te drogen aan een waslijn. Zijn fiets en schoenen blinken alsof ze net uit de fabriek komen. Wielrenners zijn ijdel én bijgelovig. ,,Alles moet er tiptop uitzien'', erkent Slippens. ,,In Bremen droeg ik elke dag nieuwe sokjes. Ik scheer mijn benen altijd op de laatste dag voor een Zesdaagse. Morgen vliegen we naar Berlijn. Dan sta ik daar ook weer goed gesoigneerd aan de start.''

In het kleedlokaal dienen twee britsen als slaapplaats voor de masseur en de mecanicien. Vroeger sliepen de renners ook in de catacomben van de wielerbaan, toen de Zesdaagse nog een uitputtingsslag was. De coureurs vielen soms op de fiets in slaap. Doping was het toverwoord, maar volgens Stam en Slippens zijn stimulerende middelen niet langer in zwang. Ze ontkennen ook dat de Zesdaagse een circusattractie is, waarbij de winnaars van tevoren bekend zijn.

Slippens: ,,Alleen de `balustradesprints' worden wel eens verkocht. Dan zet de voorste coureur de wave in. Het is een soort circusnummer, maar we rijden wel zestig in het uur. Soms vraagt een koppel om medewerking. Dan zit de sponsor in de hal en hebben ze een bosje bloemen nodig. Maar ze krijgen niks cadeau. Ze moeten eerst laten zien dat ze überhaupt kunnen winnen.''

Stam: ,,Op de weg wordt ook vaak over omkoping gepraat. Vroeger reed iedereen voor z'n eigen portemonnee. Nu heb je meer sponsorcontracten. Waarom werden Servais Knaven en Leon van Bon (twee Nederlandse wegrenners, red.) in de Zesdaagse van Amsterdam op vijftien rondjes gereden. Niet omdat we ze zo aardig vonden, maar omdat ze niet konden volgen.''

Slippens: ,,Vooral in Duitsland is het een groot feest. De mensen komen hier misschien niet allemaal voor het fietsen, maar ze hebben er nog verstand van ook. Toen ik laatst door de jury ten onrechte werd uitgesloten, klonk er meteen boegeroep vanaf de tribunes.''

Stam: ,,Wij trainen minder uren, maar veel intensiever dan de wegrenners. Bij ons staat de teller niet voor niks een uur lang op 55. Die snelheid moet ergens vandaan komen. We hebben geen reden voor jaloezie. We krijgen volop waardering. Ik ken genoeg wegrenners die na een Zesdaagse nooit meer terugkomen.''

Slippens: ,,Baanrenners zouden lui zijn, maar dat is een fabeltje. Ons energiesysteem zit anders in elkaar. Wij rijden vanaf de eerste kilometer vol in het rood. Onze benen verzuren veel sneller. Wij hebben beslist geen minderwaardigheidscomplex. We weten waarvoor we hebben gekozen. Natuurlijk verdienen we minder dan de beste wegrenners. De baan trekt minder publiciteit. We verdienen genoeg, maar kunnen straks niet stil leven.''

Danny Stam is timmerman van beroep en overweegt na zijn wielercarrière de hamer weer ter hand te nemen. Robert Slippens kan later in de vleeshandel van zijn vader gaan werken. Senior is een opvallende verschijning in West-Friesland. Hij rijdt in een Ferrari waaraan een trekhaak is gemonteerd; afgekeken van een reclame op de televisie. ,,Een geintje van een medewerker'', grijnst junior. ,,Pa heeft er met een caravan mee op Zandvoort gereden. Moet kunnen, toch?''

    • Jaap Bloembergen