Aan het Bellamypark

Aan het Bellamypark in Vlissingen was een hagedis van een meter komen wonen, een Indische varaan, een vrouwtje. Na verloop van tijd begon ze met regelmatige tussenpozen eieren te leggen. Hoewel ze geen omgang met een man had, waren het bevruchte eieren. Misschien had ze ergens in haar lijf het zaad van vroeger opgeslagen.

Klaarblijkelijk kreeg de varaan het naar haar zin in Vlissingen, haar eieren werden beter en beter. Na zes jaar kwam er een dochter uit. Inmiddels is deze dochter volwassen en nu legt ook zij bevruchte eieren. Zaadopslag uitgesloten. Zelfbevruchting! Dan neemt een dier een meervoudige persoonlijkheid aan om zich met zichzelf te kunnen verenigen. Bij Indische varanen was zoiets nooit eerder beschreven. En dan uitgerekend aan de boorden van de Westerschelde.

Iguana, de reptielenzoo, is een schepping van twee Vlissingse echtparen die zich ooit het lot van een paar zieke smaragdhagedissen aantrokken. Ze waren dierenvrienden in de breedste zin van het woord (en dat zijn ze nog: als ze horen dat in de Japanse auto-industrie apen worden gebruikt voor botsproeven, gaan er brieven naar alle mogelijke instanties).

Maar met reptielen hadden ze geen enkele ervaring. Eind jaren '70. Ad Bom: ,,Nu zijn er alleen in Zeeland wel tien winkels waar reptielen worden verhandeld, toen waren er in heel Nederland misschien maar tien.'' Hijzelf was manager bij een supermarkt.

Papillomen, wratachtige uitwassen op de huid. Iemand zat met die zieke hagedissen omhoog, iemand zag er geen gat meer in, en toen hebben zij ze onder hun hoede genomen. Uiteindelijk vonden ze in Utrecht een professor die er verstand van had en een remedie wist.

Terug naar de natuur konden de dieren niet. Hun eerst terrarium dus, en weldra waren hun woningen te klein. Hulpbehoevende reptielen bij de vleet.

In 1981 konden ze een herenhuis betrekken aan het Bellamypark. En toen het huis ernaast, en toen het huis daar weer naast en binnenkort wordt het vierde erbij getrokken. We kennen dat van de Amsterdamse grachtengordel: conglomeraten van kelders, kamers en zalen, aaneengeklonken door doolhofachtige constructies van gangen, trappen en portalen – alleen zit er dan meestal een uitgeverij in.

De financiële ruimte, zegt Bom, is beperkt. Vorig jaar een budget van 300.000 euro. Veel vrijwilligerswerk en minimumloon. ,,We zouden'', geeft hij te kennen, ,,wel wat meer mogen doen om ons werk naar buiten uit te dragen. Een donateursclub, een mededelingenblad... maar dan is er altijd weer iets wat vóór gaat.''

Bijkomend probleem: een brilkaaiman van Iguana is lang niet zo aangrijpend als een chimpansee van de Stichting Aap, niet zo toegankelijk als een leeuw bij de Stichting Panthera. Dat Aap en Panthera intussen ook aan reptielen doen, schijnt Bom niet te deren. Pas na enig aandringen: ,,Zij zijn groot. Als ze niet genoeg werk hebben, máken ze werk.''

De dieren komen deels van particulieren, deels van de overheid. Van particulieren die niet gedacht hadden dat reptielen zo groot, zo bewerkelijk en zo saai konden worden. Van de overheid in de vorm van AID, douane, politie of FIOD. Dan gaat het om inbeslagnames, illegale handel, moordende transporten, dozen en kisten die druipen van dood en verderf. Of, in het geval van de FIOD, om een rijke reptielenverzameling die in onderpand wordt genomen bij een belastingschuld.

Slechts bij uitzondering is er geen sprake van menselijk toedoen, althans niet van opzet: schildhagedissen die in een Zuid-Afrikaanse havenstad op een container gaan liggen zonnen en pas weer bij hun positieven komen, nadat ze in Rotterdam gelost zijn.

Eerst wordt bekeken of ze terug kunnen naar de plaats van herkomst, de natuur. Vervolgens komen dierentuinen of bonafide particulieren in aanmerking. Pas als het echt niet anders kan, wordt een dier in de vaste expositie geplaatst, de zoo aan het Bellamypark.

Bom kan met de hand op zijn hart verklaren dat het belang van het dier altijd zwaarder weegt dan het belang van de collectie. Eén keer is het voorgekomen dat ze een dier hebben aangehouden terwijl het weg kon, niet eens omdat het zo zeldzaam was, maar omdat ze eraan gehecht waren geraakt. Er is eigenlijk geen belang van de collectie.

,,We laten'', zegt hij, ,,publiek toe omdat dat geld oplevert. Maar voor ons staat de asielfunctie voorop, en wat dat aangaat is ieder dier ons even lief, of het in de handel nou voor tien of voor duizend euro genoteerd staat.''

Om een idee te geven van de verhoudingen: momenteel pakweg 500 dieren in de expositie, tegen 1.500 in de quarantaine. En het zouden er in de quarantaine ongetwijfeld nog meer zijn, als de betrokken overheidsdiensten actiever optraden.

Bom: ,,Van die kant hebben we de laatste twee jaar nauwelijks meer iets binnengekregen. Wat er aan de hand is, ik weet het niet. Een opsporingsbeleid, zoals in de jaren '80, schijnt er niet meer te zijn. Ze doen alleen wat als ze ergens toevallig tegenaan lopen.''

En de illegale handel?

,,Die is alleen maar toegenomen.''

Hoe weet je dat?

,,Ga maar naar de dierenwinkel. Ze lachen je in je gezicht uit. Ze zeggen: we kunnen alles leveren wat iemand hebben wil, al was het een olifant. Kijk, Schiphol kunnen we dichttimmeren, en Rotterdam misschien ook, maar in het zuiden en het oosten staan de deuren naar Europa wagenwijd open.''

Hopeloos dus?

,,Ze moesten de mensen verbieden om dieren te houden die ouder worden dan een jaar of vijftien. Dan zouden bijna alle reptielen afvallen.''

Voor reptielen verstrijkt de tijd anders, in reptielen wordt een voorwereldlijke traagheid bewaard. Maar ze sterven wel degelijk, óók in Iguana. Doorgaans een natuurlijke dood. Aan euthanasie doen ze hier nauwelijks. Je kunt zien dat een reptiel ziek is, en dan laat je hem behandelen. Je kunt zien dat een reptiel aftakelt, maar niet of hij last heeft van zijn aftakeling. En ze hebben dat fabuleuze regeneratievermogen. Je kunt nooit met zekerheid zeggen dat een reptiel stervend is.

Zo zit daar, in een werkelijk reusachtig verblijf, een groep van tien reuzenschildpadden, allemaal 12 jaar oud, allemaal 100 kilo zwaar, terwijl ze nog 250 kilo kunnen worden. Daar gaat nu al per week 400 kilo groenten en fruit in.

Vrijwel alle andere dieren eten trouwens vlees. Bom: ,,Wij kweken zelf de benodigde krekels, sprinkhanen, wasmotten, muizen, hamsters, ratten en konijnen.'' Deze dieren worden in de regel dood aan die andere dieren aangeboden. Nieuwe gasten, die alleen levende prooi believen, wordt dat zo gauw mogelijk afgeleerd.

Het publiek krijgt daarvan niets te zien. Tussen de middag, etenstijd, is Iguana altijd dicht. Reptielen eten niet als er mensen kijken. Noem het gêne. Noem het een voorzorgsmaatregel. Eten is in de natuur een riskante bezigheid, eten gaat maar al te makkelijk over in gegeten worden.

Bom: ,,Ze hebben vooral behoefte aan dekking. Geef ze een plekje om weg te kruipen, dan voelen ze zich algauw op hun gemak en als ze zich op hun gemak voelen, komen ze tevoorschijn. Behoefte aan opwinding, of avontuur of beweging hebben ze minder. Ik denk dat ze hier betrekkelijk gelukkig zijn.''

Pijlen wijzen de weg. Kelders, kamers en zalen, gangen, trappen en portalen. Van minuscule gifkikkertjes tot een netpython van boomstamformaat, van een behaarde vogelspin, een dwaalgast in dit gezelschap, tot die Indische varaan, die aan zichzelf genoeg zou hebben om de hele wereld te bevolken.

Dieren uit alle windstreken, van alle continenten. Dieren die zo dicht mogelijk bij de aarde blijven. Dieren die, veel meer dan wij, van de zon zijn.

Ze zijn uit de natuur gelicht. Elk dier zijn eigen verhaal, maar achter al deze dieren zitten mensen die er huisdieren van wilden maken – en dat is uiteindelijk precies wat ze geworden zijn: bewoners van een archaïsch huizenblok aan het Bellamypark in Vlissingen. Hoe wrang. Hoe toepasselijk.