Vlucht in de euro hindert herstel EU

De aandelenkoersen staan weer onder druk, en de euro blijft stijgen. De oorlogsdreiging rond Irak, en het resulterende risicomijdende gedrag van beleggers zijn daar de directe oorzaak van. Maar de gevolgen zouden minder hevig zijn als economie en bedrijfsleven er beter voor hadden gestaan.

Wat kan de verdere opmars van de euro stoppen? De steeds opener onenigheid tussen de Verenigde Staten en – in de woorden van de Amerikaanse minister van Defensie – het `oude' Europa over Irak maakt de financiële markten nerveus. En de mededeling van Rusland dat het meer reserves aan gaat houden in euro`s, ten koste van dollars, gaf de koers van de euro gisteravond een nieuwe zet omhoog. De euro noteert nu 1,078 dollar, en lijkt hard op weg naar de 1,08.

De reflex op de markten is op dit moment om te vluchten in `zekere' activa. Dat zijn bondig samengevat de euro zelf, obligaties van euro-landen, de Zwitserse franc en goud. Maar waarom vluchten zij niet in de Amerikaanse dollar zelf? Dat heeft vooral te maken met een groeiend wantrouwen tegen de Amerikaanse economie en het beleid van de regering-Bush. De VS kampen al jarenlang met een groeiend tekort op de betalingsbalans, dat dit jaar oploopt in de richting van 5 procent van het bruto binnenlands product. Nu zat dat er al lange tijd aan te komen, en hadden beleggers kunnen weten wat hen te wachten stond. Nieuw sinds vorig jaar, en rijzend op de lijst van mogelijke gevaren, is het Amerikaanse begrotingstekort. De bestedingsplannen van het Witte Huis, en tegelijkertijd de belastingverlagingen, jagen het tekort op.

Deze twee tekorten – dat op de betalingsbalans én op de overheidsbegroting – worden op de financiële markten zeer riskant geacht. Opgeteld gaan de twin deficits dit jaar richting de 8 procent van het bbp. De vorige keer dat de twee samen zo hoog opliepen was in 1985, toen de dollar na een adembenemende stijging in een vrije val raakte. Een land dat zo veel geld uit het buitenland nodig heeft zal, om aantrekkelijk te blijven voor beleggers, zijn internationale prijspeil moeten verlagen. En dat verlagen gaat middels een afnemende dollarkoers.

Daar komt nog bij dat er onzekerheid bestaat over de dollarpolitiek van Bush. Onder de regering-Clinton was de voorkeur voor een sterke dollar onomstreden. De aanstelling van minister van Financiën Paul O'Neill – een industrieel – door Bush twee jaar geleden deed al enige twijfel rijzen. Dat gold ook voor de instelling van invoertarieven op staal van maart vorig jaar: een regering die daar aan toegeeft, houdt zich kennelijk bezig met het bevorderen van de Amerikaanse concurrentiepostie. De vervanging twee maanden geleden van O'Neill door John Snow is op de argwanende markt inmiddels niet erg goed gevallen.

Voor de eurozone, waar aanvankelijk de stijgende euro werd verwelkomd, kan de opmars van de eigen munt tegenover de dollar intussen wel eens te snel gaan. De 6 procent die de euro sinds begin december gemiddeld is gestegen tegenover alle relevante munten (inclusief de dollar), kan volgens de zakenbank Salomon Smith Barney dit jaar een half procent economische groei kosten.

Er is gelukkig ook tegenwicht tegen deze negatieve gevolgen van de zwakke dollar. De vlucht in euro-obligaties heeft tot gevolg dat de langetermijnrentes op de Europese obligatiemarkten snel zijn gedaald, tot het laagste peil sinds drie jaar. De Europese Centrale Bank (ECB) heeft bovendien door de kracht van de euro ruimte om zijn kortlopende rentes verder te verlagen. Maar hoe groot die ruimte voor de ECB is hangt af van de vooruitzichten voor de inflatie in het eurogebied. De sterke munt drukt de inflatie.

Maar de door de oorlogsdreiging stijgende olieprijs, die deze week het hoogste peil bereikte sinds begin 2000, heeft potentieel juist een inflatieverhogend effect. Zo eindigt alles weer met de kwestie Irak, waarvan de oplossing allesbepalend zal zijn voor de stemming op de markten in de komende maanden.