Ramp zonder schuld

Gods knuist hield vijftig jaar geleden huis in Nederland. Zeeland en delen van Zuid-Holland en Noord-Brabant werden overspoeld bij de grote watersnood van februari 1953, die volgende week officieel wordt herdacht. De laatste ramp zonder traumateams en parlementaire enquête.

Was het onvermijdelijk? Bij een zeiltochtje op de Grevelingen in de zomer van 1952 vindt boerendochter Anne, de heldin van de bekendste roman over de watersnood, een kistje met papieren waarin wordt berekend dat een combinatie van een noord-noord-westerstorm en een hoge springvloed meer is dan de Zeeuwse dijken kunnen verdragen. De rekensom is gemaakt door een zekere Brooshoofd, die ermee naar de autoriteiten is gestapt, en naar de pers. Maar slechts één van zijn onheilszwangere ingezonden brieven is ooit geplaatst. Het kistje heeft hij, zo blijkt later, in het water geworpen, vlak voordat hij wordt vermoord.

In de nacht van zaterdag 31 januari op zondag 1 februari 1953 dient precies zo'n storm zich aan, in werkelijkheid. Over de volle lengte van de Noordzee wordt het water de kust opgejaagd. Het spoelt over de dijk van Battenoord (Goeree-Overflakkee). Anne's vader blijft zijn gezin verzekeren dat het water wel weer zal zakken, maar de dijk breekt. Een vloedgolf slaat een deel van het huis van de familie weg. Oma verdwijnt met ledikant en al in de golven. De 14-jarige jongste zoon sterft bij een poging een buurkind te redden. De rest van de familie overleeft de ramp, ook de schoonzoon die drie dagen in een boom zat. Meer dan 1500 mensen verdrinken bij de overstromingen.

Het bovenstaande is het beeld dat een Nederlander die in de jaren zeventig en tachtig opgroeide in zijn hoofd had van de watersnoodramp van 1953: het is de hoofdlijn van de jeugdroman Oosterschelde Windkracht 10 (1976) van Jan Terlouw, aangevuld met beelden van eindeloze watervlakten, verdronken vee en in dekens gewikkelde Zeeuwen uit de `nationale uitgave' De ramp, die bij opa en oma in de kast stond (en die jaren later veel kleiner blijkt dan je dacht). Een natuurramp die zoveel ontzag inboezemde dat wanneer in een ander kinderboek over de vloed alleen een geit en een hond het leven laten, je het verontwaardigd terzijde schuift en de titel ervan vergeet. Het was veel erger!

`1953' was een ramp met oudtestamentisch natuurgeweld, zonder televisie of traumateams, maar mét slachtoffers. Steeds meer slachtoffers. Want terwijl bij de moderne rampen in de Bijlmer, Enschede of de aanslag in New York het dodental na een eerste dramatische schatting geleidelijk afnam, begon het aantal slachtoffers van de watersnood van 1953 gaandeweg te stijgen. De eerste dode werd pas tegen tienen op zondagochtend gemeld, 's avonds had men het over 58 slachtoffers. Op die zondag werd heel Nederland al om hulp verzocht, maar bijna niemand kwam verder dan de `randen van de ramp' in Zuid-Holland en Brabant. Maandagavond laat, na 48 uur, werd gesproken van 605 doden. Op dinsdag werd het vergeten eiland Goeree-Overflakkee `ontdekt' en steeg het dodental tot 873. Een dag later waren het er 1223, op donderdag 1320 en aan het einde van de week 1355.

Die stijging gaat eigenlijk door tot op de dag van vandaag. Kees Slager meldt in de uitgebreide herdruk van zijn standaardwerk De ramp dat er sinds de eerste druk van dat boek (1993) één dode is bijgekomen. Een in de rampnacht geboren jongetje dat een paar uur later met zijn moeder, broertjes en zusje verdronk. Hij was de 1836ste dode, om precies te zijn. Zo heeft de ramp van 1953 dus zelfs in de jaren negentig nog méér slachtoffers geëist dan de met veel drama gecoverde (bijna-)overstromingen van de grote rivieren.

Zo'n ramp kan, denk je, ook politiek niet geruisloos voorbijgaan. Het mag een natuurramp zijn, maar een overheid moet zijn dijken op hoogte hebben. Je kunt de waterstand toch ongeveer uitrekenen? Er zullen dus wel koppen gerold zijn. Er is niet veel verbeelding nodig om de parlementaire enquête voor je te zien, zoals die eind jaren vijftig gehouden moet zijn: woedende slachtoffers die financiële genoegdoening en psychische assistentie eisen, schuldbewuste dijkgraven, incompetente burgemeesters die de benen namen, onduidelijkheid over de stormwaarschuwing van het KNMI, die nauwelijks doordrong omdat te weinig verantwoordelijken er een `abonnement' op hadden, ambtenaren die de uitkomsten van rekenmodellen onder de pet hielden, en dat alles uitlopend op een motie van wantrouwen tegen de minister van Verkeer en Waterstaat. Dat die toch niet hoeft af te treden, is alleen te danken aan de laffe opstelling van de toenmalige regeringsfracties.

Maar er was helemaal geen enquête. Sterker nog, in de inleiding van Kees Slagers boek staat dat er zelfs nooit over de schuldvraag is gesproken. Niet in de pers en niet in het parlement. `Dat diende op een ,,op een passend moment' aan de orde te komen. Een moment dat nooit kwam.' Er kwamen wel dammen, hogere dijken en andere waterwerken waarin een klein land zich groot kon tonen – zoals het lage land zich eerder hoogmoedig had getoond. Maar animo om kritisch terug te kijken had bijna niemand. De ramp was verschrikkelijk, maar het verschrikkelijke was toen blijkbaar niet per se politiek.

Misschien was dat omdat de Nederlanders met de bezetting net een veel grotere ramp achter de rug hadden. Die had hen ongetwijfeld relatief weerbaar gemaakt, vol vertrouwen op de mogelijkheden om schade te herstellen, om op te bouwen wat was afgebroken. Bovendien was dát een ramp die was voortgekomen uit menselijke slechtheid, het gevolg van menselijk handelen dat dus tot een moreel oordeel verplichtte. Er waren schuldigen. Vergeleken daarmee is een watersnoodramp een letterlijk onschuldige ramp. Als er als een sturende hand achter zat, dan was dat `de oerkracht van Gods knuist', zoals Gerard den Brabander dichtte. Gods straffen zijn rechtvaardig, zeker in streng gereformeerde gemeenschappen. Dan geeft het geen pas om de overheid op het matje te roepen, want bij echt grote beslissingen heeft de regering ook niets in te brengen. Daarover wordt op een hoger plan beschikt.

De watersnoodramp is daarmee de laatste ramp die Nederland redelijk stoïcijns heeft verwerkt, blijkt ook uit een gesprek met ouderenzorgster Leni Torenstra in Hoogwater, het koffietafelboek dat het ministerie van Verkeer en Waterstaat bij de herdenking heeft uitgebracht. Zij interviewde een groot aantal overlevenden en ontdekte tot haar verbazing dat er nauwelijks psychische klachten bij hen voorkomen. `Niet klagen, maar dragen' was het devies, waarbij vooral orthodox-gelovigen de gebeurtenissen relatief gemakkelijk accepteerden. Niet alleen ontbraken de traumateams, ook bij buren, familie en vrienden zocht men relatief weinig steun, zegt Torenstra. Van haar aanbod om mensen na de interviews ook therapeutisch terzijde te staan, maakte niemand gebruik. Overigens valt Hoogwater verder tegen: de moeite waard zijn alleen de reproductie van de overstromingskaart die in 1953 al bij het boek De ramp zat en een cd-rom met vroege film-en geluidsfragmenten.

Er werden dus geen kritische vragen gesteld in de weken (en jaren) na de ramp. In plaats daarvan was er een combinatie van ontbering, heldendom en euforisch beleefde solidariteit. Nederland raakte in een gemoedstoestand waarin het zeewater nauwelijks nog was te onderscheiden van dat andere zoute vocht, de tranen van verdriet, maar ook van trots en ontroering. Er zijn talrijke voorbeelden van te vinden in de bloemlezing Na de watersnood. Schrijvers en dichters en de ramp van 1953 van Ad Zuiderent (1944), zoals dit fragment uit een gedicht van Mies Bouhuys: `Maar dan zie ik het teken:/ de zandzak en de schop,/ het brood, de jas, de deken – / Weer doemen beelden op.// Een arbeider uit Twente,/ een veeboer uit Roermond,/ soldaten en studenten,/ vechtend voor onze grond.// Een mond, hard en verbeten,/ een uitgestoken hand,/ een niet te breken keten,/ ook dat is Nederland'.

Verder valt in Zuiderents boek op dat er weinig over de ramp is geschreven: wel stichtelijke kinderboeken, gelegenheidsstukjes en poëzie, maar geen Grote Zeeuwse Roman. Het nu herdrukte De kleine ark (1953) van Jan de Hartog is ook te beperkt van opzet, het gaat vooral over kinderen en dieren. Ook de schrijvers (onder hen weinig Zeeuwen) zagen in 1953 alleen het officiële beeld van slachtofferschap, heldendom en het noodlot. Ook bij hen stak de watersnood slapjes af bij de Tweede Wereldoorlog. Een menselijke hand ontwaarden zij niet, geen ruzies en conflicten. Ze zagen dus geen literatuur.

Dat de werkelijkheid in het rampgebied menselijker en politieker was dan het officiële beeld, en een hoger literair gehalte had, blijkt pagina na pagina in De ramp van Slager. Hij vergelijkt zichzelf met een eenmans-enquêtecommissie. Hij neemt de politieke en historische `waarheidsvinding' op zich, maar ook het werk dat nu de media zouden doen: het verzamelen van verhalen van `gewone' slachtoffers. Die verhalen werden toen niet gemaakt, mede omdat alles veel trager ging. Alle radiozenders waren in de nacht van zaterdag op zondag tussen 11 en 8 uur – dus net tijdens de fatale springvloed – uit de lucht en ook de volgende dag werd de omvang van de overstroming niet snel duidelijk. Die traagheid vergrootte het aantal slachtoffers: zo werden op de zondag na de eerste vloed precies drie rubberboten boven het rampgebied uitgeworpen. Het reddingswerk – de gemythologiseerde rol van (buitenlandse) helikopters daarbij wordt door Slager genuanceerd – begint eigenlijk pas op maandag.

Slager richt zijn pijlen vooral op het falen van leden van de plaatselijke elite en de instituties. Maar hij toont ook hoe de traditie voor risico's zorgde, bijvoorbeeld doordat de leuze van de dijkbewaking al eeuwen dezelfde was: `Elc sinen dike'. Maar een dijk is nu eenmaal zo sterk als zijn zwakste plek. Ook volkswijsheden bleken verraderlijk. De avond voor de ramp bleef het water bij eb even hoog staan als bij de voorafgaande vloed. Jarenlange ervaring aan de kust leert: `Wat niet ebt, dat niet vloedt'. Dat is zo omdat water dat niet is weggestroomd, ook niet meer terug naar de kust kan vloeien én omdat een hoge eb alleen voorkomt bij een flinke storm, die meestal is afgezwakt of gedraaid als de vloed komt. Op 1 februari bleek de volkswijsheid helaas slechte raad. Veel mensen bleven te lang kalm, een voorbeeld van het feit dat natuurlijke catastrofes vaak humanitaire rampen worden omdat mensen zich niet kunnen voorstellen dat ze erdoor getroffen worden: ze onderschatten het risico en zoeken niet snel genoeg een veilige plek. Zelfs profeten niet. Een week voor de ramp voorspelde ouderling Potappel in de kerk van Stavenisse: `God zal ook onze dijken doen doorbreken. Zo gij u niet bekeert, gij zult allen desgelijks vergaan.' Maar op de avond van de ramp zei hij tegen zijn buurman dat het allemaal wel mee zou vallen. Een paar uur later verdronk hij met vier familieleden toen zijn huisje onder de golven verdween.

Nog veel meer menselijk onvermogen is te vinden in de verhalen die Slager optekende over de dagen na de ramp. Neem de ernstige problemen die ontstaan als boer en dijkraad Sieling in Herkingen besluit dat er een extra gat in de dijk gemaakt moet worden om de polder weer sneller leeg te laten stromen. Binnen een paar dagen was het gat 300 meter breed en werd het in Herkingen spottend het `Sieling-kanaal' gedoopt. Tekenend was ook het `broodbombardement' op Zierikzee dat ertoe leidde dat 20.000 overtollige broden zich opstapelden in de Grote Kerk. Ook elders was de goederentoevoer uit de lucht vele malen groter dan nodig. Slechts drie van de vijfhonderd gedropte laarzen bij een Engelse hulpvlucht komen op het land terecht, de rest verdwijnt in het water. Op 5 februari verklaart de burgemeester van Bruinisse dat hij al 24 uur bezig is om `alle droppings en verdere hulp af te zeggen'. Ook bepaalde vrije beroepsgroepen ontwaarden een gat in de markt. Zo werd in Sommelsdijk de `lichte brigade uit Leiden' gesignaleerd. Eén prostituee werd in de kraag gevat en opgesloten in een Rode-Kruispost.

Zulke verhalen zijn materiaal waar W.F. Hermans, zoals weleens is opgemerkt, een prachtboek over had kunnen schrijven: onbeheersbare natuurkrachten, chaos, moedwil en misverstand. Maar Hermans kende ze waarschijnlijk niet. Ze zijn pas rondom de herdenking van 1993 weer in brede kring bekend geworden, door het boek van Slager en door het in datzelfde jaar verschenen Het water en de herinnering van Selma Leydesdorff. Dit jaar treedt er in de herdenkingsboeken geleidelijk een nieuwe groep naar voren: de `tweede generatie'.

Want bij de generatie die de ramp niet bewust meemaakte, neemt de nieuwsgierigheid toe. Maartje Stuut-Deurloo (tijdens de ramp nog een peuter) groeide op in een gezin waarin slechts sporadisch en in een beklemmende sfeer over 1953 werd gesproken. Recent interviewde ze haar broers en zussen (op één weigerachtige broer na) over wat er nu precies was gebeurd, zodat iedereen de `vergeten' gebeurtenissen `een beter plaatsje' kan geven.

Het relaas van de familie Deurloo sluit naadloos aan bij de verhalen uit Slagers De ramp, waarbij de zelfgetekende plattegronden van het ondergelopen huis van de familie Deurloo de zeggingskracht vam het vertelde versterken. Tweede-generatieproblematiek speelt ook een rol in de novelle Hoe ver het water kwam van Sandra van de Vijver, die in literair opzicht overigens niet opzienbarend is. Daarin komt een vrouw er geleidelijk achter hoezeer de rampervaringen van haar vader haar eigen jeugd hebben bepaald.

Ook een andere `vergeten' groep slachtoffers doet van zich spreken: de niet-Zeeuwen. Ad Zuiderent begint zijn boek met de uiteenzetting dat er in Zuid-Holland en in Noord-Brabant bijna evenveel doden vielen als in Zeeland. Hij verzet zich dan ook tegen de term `Zeeuwse watersnoodramp'. Slechts een enkeling buiten de regio realiseert zich dat Goeree-Overflakkee weliswaar een van de Zeeuwse eilanden lijkt te zijn, maar formeel en cultureel deel uitmaakt van de provincie Zuid-Holland. De Zuid-Hollanders beginnen inmiddels aandacht te vragen voor hun watersnood, een beetje zoals de Indisch-Nederlandse oorlogsslachtoffers dat jaren na de Tweede Wereldoorlog deden: bescheiden, bevreesd het leed van grotere slachtoffers te bagatelliseren, maar geleidelijk aan wel luider. Het door de gemeente Dordrecht uitgeven Aan de rand van de ramp is er een voorbeeld van. Het is niet dun, maar stelt zich bescheiden op. Dat is ook niet zo gek, omdat een van de twee officiële Dordtse slachtoffers, een meisje van acht, gestorven blijkt aan een verkeersongeluk dat weinig met het water te maken had. In het boek staan aardige interviews én een foto van het fraai beschilderde sierbord dat ANP-correspondent Barend Mensen cadeau kreeg van zijn werkgever omdat hij als eerste berichtte over de ramp, zondagmorgen om 4.22 uur.

Dat de informatie zo traag tot de rest van het land doordrong blijft een van de meest verbazingwekkende aspecten aan de ramp. Met de stoïcijnse reacties op het hoge water en daarna het collectieve `Niet klagen, maar dragen', is het een van de feiten die je doen beseffen hoezeer het vijftig jaar geleden overspoelde land verschilde van het land dat de ramp volgende week herdenkt. Het eigentijdse Nederland ontwaart niet Gods knuist, maar altijd een mensenhand en gaat dus schuldigen, of in ieder geval verantwoordelijken zoeken. De combinatie van traagheid, gelatenheid en vertrouwen in een goede afloop doet overigens wel denken aan de manier waarop de geboren Zeeuw Jan-Peter Balkenende (1956, in het droge Kapelle op Zuid-Beveland) een halve eeuw later zijn premierschap binnen drie weken bijna liet wegspoelen.

Een verzuild, statisch en godvrezend Nederland verdween achter de golven, maar toen de polders weer droog stonden, brak een dynamische tijd aan. Men nam geen genoegen meer met de veiligheid die God te bieden had. Men wilde de zekerheid dat het water buiten de dijken bleef, en realiseerde zich dat alleen de rijksoverheid die kon bieden. `Elc sinen dike' werd: één staatsdijk voor iedereen. Dat werd nog versterkt door de enorme `maakbaarheid' die het vernietigde land uitstraalde toen het water eenmaal was gezakt.

De eerstvolgende jaren ging het dan ook snel. Het land werd zonder omhaal herverkaveld, de landarbeiders vonden werk en meer inkomen in de wederopbouw, de huizen werden herbouwd op stevige fundamenten en de verdronken paarden werden vervangen door tractoren. En wie beweerde ooit een wasautomaat bezeten te hebben, kon er een krijgen. Er was immers erg veel geld ingezameld voor een toekomst na de zondvloed. Of, zoals Maarten Doorman een gedicht over terugkerende slachtoffers in Na de watersnood besluit:

Er was maar één terugweg;

een toekomst boordevol

vergeten

een toekomst

barstensvol geluk.

Kees Slager: De ramp. Een reconstructie van de watersnood van 1953. Tweede, uitgebreide editie. Atlas, 558 blz. €29,95

Ad Zuiderent (samenstelling en inleiding): Na de watersnood. Schrijvers en dichters en de ramp van 1953. Querido, 352 blz. €17,95

Inez Flameling: Hoogwater. 50 jaar na de watersnood. Inclusief cd-rom. Ministerie van Verkeer en waterstaat, 184 blz. €15,–

Jan Terlouw: Oosterschelde windkracht 10. 32ste druk. Lemniscaat, 186 blz. Tot 15 februari €9,95, daarna weer €13,95

Jan de Hartog: De kleine ark. A.W.Bruna, 264 blz. €18,95

Maartje Stuut-Deurloo: Overal waar ik keek was water. Herinneringen aan de watersnoodramp van 1 februari 1953. Boekhandel De Vries, Zierikzee, 116 blz. €11,50

Frits Baarda, Gert van Engelen en Wim van Wijk: Aan de rand van de ramp. Het eiland van Dordrecht en de watersnood van 1953. Gemeente Dordrecht, 288 blz. €24,95

Sandra van de Vijver: Hoe ver het water kwam. Watersnood.

Uitgeverij Pennevrucht, (www.pennevrucht.com),

100 blz. €12,95

Tot 9 maart is in het Nederlands fotomuseum in Rotterdam `De Ramp van `53 door het oog van de media' te zien, met foto's, kranten, tijdschriften en Polygoon-journaalbeelden. www.nederlandsfotomuseum.nl

    • Arjen Fortuin