Politicus tot in zijn poriën

President van Amerika worden, hoe doe je dat? Lyndon Baines Johnson, geboren in 1908, was sinds zijn jeugd bezeten van de ambitie dit leiderschap te veroveren. Robert Caro neemt in zijn biografische mammoetproject flink de ruimte om uit te leggen welke obstakels `LBJ' moest overwinnen om zijn heilige doel te bereiken. De finish is voor deze biograaf zelfs nog lang niet in zicht want na een kwart eeuw arbeid en drie delen die tesamen vijfentwintighonderd bladzijden tellen, is Caro pas in 1960 aangeland. Hij moet nog drie jaar overbruggen tot het moment dat Johnson als plaatsvervanger van de vermoorde John F. Kennedy het Witte Huis kan betrekken.

En toch is dit allemaal niet te veel. Caro's levensbeschrijving is uniek, een categorie op zichzelf. Hij geeft heel veel details, maar ze staan allemaal in het verband van een schitterend verhaal en een brede context. Caro combineert het epische talent van Theodore White met de historische diepgang van Arthur Schlesinger. Hij biedt een prachtig politiek en psychologisch portret van Johnson, maar hij vertelt ook nog het verhaal van een halve eeuw Amerikaanse geschiedenis. Het eerste deel, The Path to Power (1982), bevat een sociaal-historische epos van het Texaanse Hill Country, waar Johnson opgroeide. In het tweede deel Means of Ascent (1990), dat uitmondt in diens verkiezing tot senator van Texas, geeft Caro een fascinerend relaas van de onderwereldpraktijken waarmee in Amerika verkiezingen worden uitgevochten. Master of the Senate begint met een even uitvoerig als boeiend exposé over de geschiedenis van de Amerikaanse Senaat.

Dit derde deel is vooral het verhaal van een senator die het parlementaire spel van de macht kon dromen. In de jaren vijftig verwierf Johnson de reputatie van een man met een uniek talent voor politieke manipulatie, iemand die wist hoe hij dingen voor elkaar moest krijgen, ten voordele van zijn eigen persoon, maar ook van belangrijke wetgeving. Al na vijf jaar, in 1954, kon hij zich leider noemen van de Democratische minderheid, die bij de Senaatsverkiezingen twee jaar later een meerderheid werd. Nog nooit had iemand die nog geen vijftig jaar oud was deze positie bereikt. Hoe lukte hem dit? Van boeken lezen hield Johnson niet, maar mensen lezen kon hij als de beste. In de Democratische fractie, verdeeld tussen Zuidelijke conservatieven en Noordelijke progressieven (liberals), wist hij de leiders van beide kampen voor zich in te nemen. Ook de collega's die voorzitter waren van de belangrijkste machtscentra, de Senaatscomités, waren al snel zijn vrienden. Als het om macht ging wist Johnson, in zijn eigen woorden, `where to look for it, and how to use it'.

De strateeg Johnson begreep precies hoe de Democraten konden profiteren van de populariteit die de gematigde President Eisenhower genoot, veel meer bij de bevolking dan bij zijn eigen Republikeinse partij. Als het even kan, aldus Johnson, moesten ze altijd het Witte Huis steunen, vooral als Eisenhower kritiek uit eigen gelederen kreeg. Zo wonnen de Democraten een paar keer de Congresverkiezingen. In de Amerikaanse democratie is het voortdurend werven van publieke steun essentieel. Johnson begreep hoe hij zijn publiciteit moest verzorgen. Door de banden met belangrijke journalisten te cultiveren en door aansprekende redevoeringen te houden over pakkende thema's niet over economie dus: `Making a speech on economics is a lot like pissing down your leg. It may seem hot to you, but it never does to anyone else'.

Johnson wordt in Master of the Senate meer dan zichtbaar: met zijn lange gestalte, handen als kolenschoppen en de motoriek van een antilope stormt hij door de gangen van het Senaatsgebouw. Hij begroet passerende collega's door een van zijn enorme armen om hun schouder te slaan, terwijl hij met de hand van zijn andere arm de revers van hun colbert beetgrijpt, driftig op hen inpratend over de volgende belangrijke vergadering. De man was larger than life, beschikte over een bijna animale vitaliteit en onderstreepte zijn dadendrang met een enorme hoeveelheid ijdelheid en grofheid. IJdel was Johnson tot in zijn tenen. Zijn riem, zakdoeken en manchetknopen waren voorzien van zijn politiek-publicitaire handelsmerk: de initialen `LBJ'. Grof was hij behalve tegen zijn vrouw Bird vooral tegen zijn naaste medewerkers: `God, you're so stupid, you wouldn't find your ass if you were using both hands'.

LBJ was altijd aan het woord, altijd dominant, altijd ambitieus. Maar Caro, die er geen geheim van maakt zelf een gepassioneerde liberal te zijn, was niet zo door Johnson gefascineerd geraakt als diens eerzucht alleen maar ten dienste had gestaan van de NV LBJ. Johnson was op zijn eigen manier een idealist, hij geloofde hartstochtelijk in de noodzaak het lot van de zwarte Amerikanen te verbeteren. Zijn compassie met hun rechteloosheid dateerde uit de periode dat hijzelf in vernederende omstandigheden was opgegroeid. Hoewel zwarte burgers volgens de Amerikaanse grondwet al sinds 1870 stemrecht hadden, werd het hun in de zuidelijke staten door de racistische autoriteiten vrijwel onmogelijk gemaakt zich als kiezer te laten registreren. Om die misstand weg te nemen was federale wetgeving nodig.

Het zou Lyndon Johnson worden die deze hervorming in de Senaat wist door te drukken. Dat juist deze Texaanse senator in 1957 leiding gaf aan dit progressieve initiatief, was opmerkelijk en wekte grote achterdocht. De noordelijke liberals vertrouwden hem niet, maar steunden hem omdat zij beseften dat geen van hen zelf in staat zou zijn het conservatieve verzet tegen deze wetgeving te breken. De zuidelijke maatjes van Johnson walgden van deze poging om de luie `niggers', zoals ze in de jaren vijftig nog werden genoemd, te gerieven. Toch wist hij hen te winnen voor zijn voorstel, vooral door duidelijk te maken dat blijvend verzet schadelijk zou zijn voor de kansen van LBJ om in 1960 de Democratische kandidaat bij de presidentsverkiezingen te worden. In dat geval, hield hij zijn conservatieve makkers voor, zou er weer een liberal worden aangewezen. Zo wist hij de geharnaste tegenstanders van de beweging voor burgerrechten zover te krijgen een wet te aanvaarden die zij niet wilden: door hen de gevangene te maken van zijn eigen presidentiële ambitie.

Hoe Johnson het in 1960 toch nog zou afleggen tegen John F. Kennedy, zal Caro in zijn volgende deel moeten vertellen. En vermoedelijk pas zo'n duizend bladzijden later zal deze biograaf kunnen beginnen aan het verhaal van een presidentschap (1963-1969) dat een groots spektakel zou worden, zij het van een gevarieerde inhoud. Met zijn Great Society kreeg Johnson een voor Amerikaanse verhoudingen uniek programma van sociale hervormingen van de grond. En met zijn grootscheepse interventie in Vietnam stortte hij Amerika in een politieke en militaire catastrofe. Moge Caro tijd van leven en werken krijgen om zijn even megalomane als magistrale project af te maken.

Robert A. Caro: Master of the Senate. The Years of Lyndon Johnson. Volume III. Knopf, 1167 blz. €45,50