Nooit zomaar een knieval

Toen in 1991 de novelle De verloving verscheen, haalden de lezers van Huub Beurskens opgelucht adem. Beurskens hermetische periode leek voorbij. Eindelijk een verhaal dat te begrijpen viel, of in elk geval grotendeels. Zelf zei hij erover, in een interview, dat hij zich vrijer voelde dan eerst: minder theorie, meer plezier in het schrijven. Hij stond zichzelf nu ook toe om hoofdletters te gebruiken, net als iedereen. Toch zou het overdreven zijn om te zeggen dat hij zich sindsdien tot een soort volksschrijver heeft ontwikkeld, die voor elk wat wils te bieden heeft. Hij houdt iets meer rekening met zijn lezers, maar van een knieval kun je niet spreken. In zijn verhalen en romans valt, anders dan in zijn beginperiode, altijd wel een verhalende lijn te ontdekken, maar daar moet wel moeite voor gedaan worden. En op cruciale momenten rijst altijd weer de vraag of het wel waar is, en of de schrijver niet voor de zoveelste keer een loopje met ons neemt. Soms leidt die onzekerheid tot interessante overwegingen, soms ook tot enige ergernis.

In Duivenhart, zijn nieuwe verhalenbundel (met als ondertitel Een complex) lijkt Beurskens antwoord te willen geven op de vraag waarom hij zijn lezers altijd een beetje plaagt en op afstand houdt. De plaaglust moet wel samenhangen met het psychologische complex waarmee hij al zijn leven lang worstelt. In een voor zijn doen nogal openhartig voorwoord wordt onthuld, zij het ook met ironische ondertoon, dat er een autobiografisch motief is voor zijn schrijverij. Hij wil zich, met ieder boek opnieuw, bewijzen tegenover zijn bewonderde vader, ook al is Beurskens senior allang overleden. Zijn complex bestaat eruit dat hij erkenning wil voor zijn schrijverschap. Vader Beurskens stond sceptisch tegenover de literaire aspiraties van zijn zoon. Des te spijtiger dat hij al overleden was, toen zijn zoon zijn eerste prijs kreeg, later gevolgd door nog twee prijzen. Alle drie voor poëzie. Daar lijkt ook de schoen te wringen, al vermeldt Beurskens dát weer niet. Drie poëzieprijzen, maar nog geen enkele voor zijn dertien titels proza.

De losse, frivole toon die zijn gedichten zo fris en genietbaar maakt, heeft hij in dat proza nooit helemaal te pakken weten te krijgen. Beurskens kan erg geestig zijn en er, als hij eenmaal op dreef is, lustig op los vertellen, maar hij heeft ook een stroeve, houterige kant, die zich kennelijk niet altijd laat onderdrukken. Dat levert malle, gewrochte zinnen op, over een echtpaar bijvoorbeeld, dat in de lente een vakantiebungalow huurt: `We beleefden een geluk voor een heerlijk voorjaar in een heerlijk voorjaar voor geluk.'

De zeven onderling lichtjes samenhangende verhalen in Duivenhart bevestigen het dubbelzinnige beeld dat Beurskens van zichzelf geeft in het voorwoord. Hij wil zijn lezers deelgenoot maken van zijn eigen complexen en van die van zijn verhaalfiguren, maar hij doet dat op een overwegend bokkige, dwarse manier. Wij moeten dus zelf maar wijs zien te worden uit een hoekig verhaal over een ongetrouwde vendumeester die zijn veel jongere assistent op bezoek vraagt. Hij wil hem een dagelijks passerende man met een hond laten zien, die zich in het voorbijgaan eigenaardig gedragen. Man en hond herinneren de assistent aan zijn vader en aan een incident uit zijn jeugd. Die herinneringen brengen emoties te weeg die hij, zo zou je kunnen interpreteren, niet helemaal in de hand heeft. De plotselinge dood van de vendumeester lijkt hiermee verband te houden, maar welk verband, dat blijft duister.

Ook in de andere verhalen is steeds sprake van ingewikkelde, nooit helemaal bevredigende relaties tussen mensen die door net niet helemaal opgehelderde omstandigheden onder druk komen te staan, meestal met verstrekkende, soms zelfs rampzalige gevolgen. Dit thrillerelement zorgt voor een welkome spanning, maar laat ook wel erg veel vragen onbeantwoord. Daar komt nog bij dat de meeste verhalen in Duivenhart eenvoudig te kort zijn om echt interesse te wekken voor de starre en weinig mededeelzame personages, of om duidelijk te maken wat ze op hun kerfstok hebben en waarom. Raadselachtig is bijvoorbeeld waarom de Italiaanse restauranthouder in een verhaal zo'n speciale voorkeur heeft voor drie vaste vrijdagse gasten: een gesoigneerd echtpaar met eenautistische zoon. Met de zoon houdt hij zich zelfs zo bezig, dat hij hem meent tegen te komen als hij op vakantie is in Rome, maar dan als een welbespraakte en mondaine jongeman. Weinig geloofwaardig is ook de neiging van een vrouw, in een ander verhaal, om in iedere piccolo haar vader te herkennen, en de arme jongen vervolgens aan te randen op haar hotelkamer.

Beurskens gunt zichzelf en zijn lezer te weinig tijd om de complexen van zijn personages naar behoren te duiden. Geen wonder dus dat het langste verhaal, het titelverhaal, veruit het beste is. Het komt nogal moeizaam op gang, maar wie die barrière weet te nemen, wordt beloond met een fraaie, sinistere geschiedenis over een schilderijenvervalser die bedrogen wordt door zijn vrouw. Hij probeert zijn verdriet te verdringen, maar dat lukt hem niet. Hij ziet al gauw het verschil niet meer tussen waan en werkelijkheid. Dat leidt tot intrigerende speculaties over de vraag wie de twee lijken die door het verhaal spoken, op zijn geweten heeft.

In het laatste verhaal laat Beurskens een kunsthistorica mopperen over `gemakzuchtige critici' die een kunstwerk beoordelen op zijn expressie, op wat het te zeggen heeft, terwijl het juist zou moeten gaan om de `afweerkracht', om wat het kunstwerk verzwijgt. Ik vrees dat ik tot die gemakzuchtigen behoor, die denken dat een wat meer uitgeschreven verhaal, een bescheiden knieval voor de lezer, niet alleen het leesplezier ten goede zou kunnen komen, maar ook Beurskens complexe zucht naar erkenning.

Huub Beurskens: Duivenhart. Een complex. Meulenhoff, 192 blz. €16,50

    • Janet Luis