Nieuw geluk, nieuwe pijn

Sommige schrijvers zijn pechvogels. Neem Peter Augustin, die in een niet al te ver verleden vier romans en een verhalenbundel publiceerde. Ondanks goede kritieken verkochten zijn boeken zeer matig, al was het alleen maar omdat hij niet beschikte over een goede babbel of een intrigerende persoonlijkheid. Dus ensceneerde hij in de jaren negentig zijn eigen dood, publiceerde hij een goed besproken roman onder een andere naam, en stapte hij bij opnieuw uitblijvend succes met zijn verhaal naar een bevriende journalist. Als `Dode Schrijver Springlevend' en aanklager van de platheid van de boekenbusiness werd hij een graag geziene gast in praatprogramma's en glanstijdschriften en stootte hij door tot de smalle top van de Nederlandse literatuur. En vanaf dat moment kwam hij niet meer aan schrijven toe.

Peter Augustin is een personage uit de nieuwe verhalenbundel van Hans Vervoort, maar hij heeft wel wat weg van zijn 63-jarige schepper. Ook Vervoort valt in de categorie `goed besproken schrijvers zonder naamsbekendheid', en ook hij verlegde zijn literaire loopbaan zonder dat dit tot commercieel succes leidde. Bekend geworden in de jaren zeventig met twee laconieke korte-verhalenbundels in ironisch-realistische stijl (Kleine stukjes om te lezen en Heden mosselen, morgen gij), publiceerde hij in de jaren tachtig en negentig alleen nog romans en reisboeken. Zijn onsentimentele verhalen over veertigers in midlifecrises, werden welwillend of zelfs enthousiast besproken, zoals in het geval van Het tekort (1988) en Zonnige perioden (1994), maar van de literaire topvijftig bleef hij ver verwijderd. Zijn laatste roman, Eerlijk is vals, zonk zonder al te veel luchtbellen achter te laten.

Je vraagt je af of Vervoorts overstap naar de roman te maken heeft gehad met de vernietigende aanval die de polemist Jeroen Brouwers in 1980 inzette op de `jongetjes- en meisjesliteratuur' van De Zeventigers, de groep anekdotisch-realistische schrijvers waartoe naast Vervoort ook Hans Plomp, Guus Luijters en Mensje van Keulen gerekend werden. In het pamflet `De nieuwe revisor' maakte Brouwers korte metten met de zelfverklaarde `schrijvers van leesbare teksten' die rondliepen in afleggertjes van Nescio, Thijssen, Carmiggelt en Reve. En hoewel zijn pleidooi voor `volwassenheid' gedateerd aandeed in een tijd dat de neoromantiek alweer overvleugeld was door het antirealisme van schrijvers als Frans Kellendonk, was het momentum voor pretentieloos korte-baanproza voorbij.

Vervoort schreef door (iets wat niet van alle Zeventigers gezegd kan worden) en acht nu, een kwart eeuw na zijn laatste bundel, de tijd weer rijp voor het (ultra-)korte verhaal. In Geluk is voor de dommen werden er achttien verzameld, waarvan tien die niet eerder verschenen zijn. Het is een onevenwichtige bundel geworden. Goedgelukte griezelverhalen, die in de jaren tachtig gepubliceerd werden, staan naast nostalgische kleine stukjes die eigenlijk geen naam mogen hebben en (dus) voorzien zijn van de weinig originele titel `Ik herinner mij'. Perfect-melancholieke verhalen van weemoed en verlangen volgen op ambitieuze plots die té snel en abrupt afgerond worden. En dan staat er onbegrijpelijkerwijs nog een herdruk in van het in 1977 verschenen `Herinneringen uit mijn scheidsrechtersloopbaan' (over de zogenaamde dood van Johan Cruijff), dat niet in de schaduw kan staan van Cees Buddingh's vergelijkbare voetbalverhaal `Daar ga je, Deibel'. Vervoorts nieuwe bundel is, om een metafoor uit de jaren zeventig te gebruiken, een elpee met een half dozijn sterke singles en meer dan een handvol fillers.

`Na zekere leeftijd is het geluk op en is er alleen nog kans op tevredenheid', denkt de hoofdpersoon van het verhaal `Een vrouw te veel', het liefdevolle portret van een verwarde moordenaar. Het is maar een van de vele fatalistische manieren waarop in Geluk is voor de dommen tegen het leven wordt aangekeken. Vervoorts bundel is een parade van oudere, ietwat vergrauwde mannen die het geluk hebben gekend, maar dat ergens onderweg zijn kwijtgeraakt. Sommige van hen krijgen een tweede kans, zoals Peter Augustin uit `Sterrenslag' of zoals Charlie uit het wel erg snel vertelde `Laat verhaal', waarin een jeugdliefde na 35 jaar moeiteloos herbeleefd wordt.

De mooiste van Vervoorts aandoenlijke tobbers is Albert van Dam uit het verhaal `Het verlangen'. Hij is de kalende, bebrilde archivaris van de Rijksdienst Goederenvervoer in Hengelo die in zijn vrije tijd niets beters te doen heeft dan het lezen en checken van de Winkler Prins Encyclopedie (`Grappig hoeveel fouten je daar nog uit kon halen'). Zijn mooiste herinnering is de vrijpartij die hij als achttienjarige beleefde met zijn ten dode opgeschreven tante, waarna hij door gebrek aan initiatief en zeldzame onhandigheid nooit meer een vrouw heeft aangeraakt. Totdat hij op het jaarlijkse personeelsfeest haast per ongeluk in bed belandt bij de ten minste zo ongelukkige koffiejuffrouw. In paniek rakend na het vrijen (`Wat deed hij hier? Hij had geen conversatie voor morgen') vergooit hij nét niet zijn nieuwe geluk. Het is het dichtst dat we in een verhaal van Vervoort bij een happy ending komen.

Het onderwerp van `Het verlangen' – twee geboren verliezers vinden elkaar – is niet bepaald nieuw, maar de mini-tragikomedie toont de kracht van Vervoort in het schetsen van situaties (het troosteloze personeelsfeest! de onbeholpen seks!), het vertellen van een verhaal (vloeiend heen en weer springen tussen het perspectief van de man en dat van de vrouw), en het stileren van emoties. Vervoorts proza is rechttoe rechtaan en licht ironisch; het maakt zelfs een compositorisch mislukt (want té plotseling aflopend) verhaal als `De firma', over een man en zijn geheime liefde, de moeite van het lezen waard. De sussende stijl leent zich bovendien bij uitstek voor verrassende wendingen. Zo word je in `Opaal is ook maar een kleur' – een verhaal dat zoals de meeste in deze bundel in de ik-vorm is geschreven – behendig op het verkeerde been gezet wanneer een vriendelijk-bemoeizuchtige trampassagier zich van zijn onmeedogendste kant laat zien.

Vele van Vervoorts verhalen laten zich goed navertellen, wat overigens het leesplezier zou bederven. Maar dat wil niet zeggen dat het bij Vervoort in de eerste plaats om plot draait. Zo is het titelverhaal van Geluk is voor de dommen ook een licht-filosofische bespiegeling over nooit-slijtend verdriet die uitloopt op de volgende passage: `Het ene verdriet verdringt het andere. De mens blijft in beweging omdat hij niet tegen pijn kan en zoekt nieuw geluk dat nieuwe pijn oplevert, waarmee het vorige uitgewist wordt.'

Het is alsof we de somberende dichter J.C. Bloem horen spreken. `Is dit genoeg: een stuk of wat gedichten?' vroeg die zich retorisch af in zijn sonnet `Dichterschap'. Bij Vervoorts wisselvallige nieuwe bundel mag je een vergelijkbare vraag stellen. Maar voorlopig is het genoeg, een stuk of wat verhalen. Laten we hopen dat het niet weer een kwart eeuw duurt voor de volgende verzameld worden.

Hans Vervoort: Geluk is voor de dommen. Nijgh & Van Ditmar, 208 blz. €16,50

    • Pieter Steinz