Meer dan een lap vlees

De huidige samenleving staat in het teken van zelfredzaamheid en competitie. Toch zullen er altijd mensen zijn die niet kunnen meekomen. Zij verdienen respect, betoogt socioloog Richard Sennett.

Met wie leven we mee? Het is een pregnante vraag in een samenleving die in het teken staat van competitie en competentie. Hoe gaat die om met mensen die beneden de streep vallen, die niet opwaarts mobiel zijn, niet slagen of domweg hun best niet doen conform de wensen van de meerderheid? Kunnen zij alleen nog maar worden behandeld als een soort dienstweigeraars die in het gareel gebracht moeten worden, of kunnen de geëmancipeerde klassen toch respect opbrengen voor andermans, in hun ogen `mislukte', leven?

De criminoloog Hans Boutellier gaf zondag in een gesprek over veiligheid bij de VPRO-televisie een interessante verklaring voor de opkomst van het begrip `zinloos geweld'. De keuze van dat bijvoeglijk naamwoord, vermoedt hij, is ingegeven door de onwil om zich te verplaatsen in de dader: diens wandaden zijn `zinloos', en zijn beweegredenen niet relevant. We willen nu aandacht voor onszelf, als echte of potentiële slachtoffers. Een vergelijkbare ontwikkeling, zou je kunnen aanvullen, dient zich aan in het integratie-vraagstuk: ook daar overheerst de behoefte aan een door de meerderheid opgelegde disciplinering. Voor de eigen ambities of inbreng van allochtonen bestaat veel minder belangstelling dan voor hun status als objecten van aanpassing.

Het is een verklaarbare wending na een tijdperk van langdurig doorgeschoten tolerantie, maar toch is afnemend inlevingsvermogen, of de onwil om je in te leven in iemand die anders is, volgens de Amerikaanse socioloog Richard Sennett zelf óók een maatschappelijk probleem. In een meritocratie, een samenleving die gebaseerd is op een onvermijdelijk ongelijke verdeling van talent en prestaties, moet de kloof tussen succesvolle en minder welvarende klassen worden overbrugd door sociaal respect, dat alleen is op te brengen als individuen elkaar een zekere autonomie gunnen, dat wil zeggen: begrijpen dat ze nooit hetzelfde zullen worden.

Het is een van de oneigentijdse inzichten in Respect in a World of Inequality, Sennetts vervolg op zijn voorlaatste boek, het veelbesproken The Corrosion of Character (1998), vertaald als De flexibele mens; een aanklacht tegen de ontwortelende effecten van het moderne `flexibele' kapitalisme op het karakter en gezinsleven van werknemers. De marxistisch geïnspireerde Sennett (1943) maakte al veel eerder naam met The Hidden Injuries of Class (1973), een sociologisch onderzoek naar status en prestige onder arbeiders in Boston, waaruit hun afkeer van uitkeringstrekkers naar voren kwam en hun op arbeid gestoelde prestige.

Thematisch moest Sennetts nieuwe boek een voortzetting worden van zijn bekende essay over de `flexibele' moderne werknemer, maar dan toegespitst op het probleem van respect voor medeburgers die aan de onderkant van de meritocratie verkeren, en daar waarschijnlijk zullen blijven. Maar Respect werd een veel breder boek. Sennett is wel bekritiseerd om zijn essayistische en nogal losse stijl, en ook nu waaiert zijn betoog, ondanks een heldere centrale vraag, vele kanten op. Het bevat mooie excursies over muziek, liberalisme en socialisme, de Spaanse burgeroorlog (waarin zijn vader vocht) antropologie, psycho-analyse en infantilisme (de theorie dat afhankelijkheid mensen kinds houdt, zoals het zogen aan de moederborst van een uitkering), en de overgang van klassieke bureaucratieën naar flexibele, platte organisaties. Op die fraaie zijpaden ontmoeten we zulke uiteenlopende figuren als Breughel, Hannah Arendt, Augustinus, Freud, Locke en Rousseau.

De nu 60-jarige Sennett verweeft zijn sociologische argumenten en zijsprongen ditmaal bovendien met fraai beschreven episodes uit zijn autobiografie. Hij groeide in de jaren veertig, zelf wit, met zijn alleenstaande moeder op in Cabrini-Green, een grotendeels zwarte wijk van Chicago die inmiddels is vervallen tot een dichtgespijkerd bijstandsgetto. Rode draad in de verhalen over zijn jeugd is zijn liefde voor muziek (de cello) die hem leerde dat het beheersen van een craft, een ambachtelijke vaardigheid, een belangrijke persoonlijke strategie kan zijn om onder moeilijke omstandigheden je zelfrespect te behouden. Sennetts passages over muziek zijn prachtig, en maken duidelijk wat hij bedoelt met het hebben van van een vaardigheid: het plezier in detailbeheersing en het leren van regels, doing something well for its own sake. Sennett overwoog zelfs een muzikale carrière, totdat een mislukte operatie aan zijn linkerhand daar een voortijdig einde aan maakte.

Alleen, voor wederzijds respect is beheersing van een craft niet genoeg. Een vaardigheid beheersen bouwt nog geen sociaal karakter. De kracht ervan ligt volgens Sennett immers juist in ambachtelijke zelfgenoegzaamheid, of zelfs escapisme, die kan leiden tot onverschilligheid voor de rest van de wereld. Wederkerig respect vereist het besef dat anderen autonome individuen zijn, met eigen wensen en vaardigheden die misschien nooit zullen beantwoorden aan onze wensen of eisen. Juist dat besef, menet hij, staat onder druk van de moderne flexibele economie, zoals hij in De flexibele mens al uiteenztte. Die breekt loyaliteiten af en weekt individuen los uit hun sociale context. De meritocratische preoccupatie met talent en vooral met `potentieel' verhevigt die maatschappelijke desintegratie. Verschillen in talent zijn nu eenmaal onuitroeibaar, en het benadrukken van iemands `potentieel', los van zijn concrete, uiteraard beperkte vaardigheden, zal altijd ook frustratie kweken.

Om die krenking van sociaal respect te illustreren, beschrijft Sennett een pedagogische bijeenkomst in 1971 voor kansarme jeugd uit Cabrini-Green die als `rolmodellen' een secretaresse, een elektromonteur en een arts voorgeschoteld kregen, die zich alledrie aan het getto hadden ontworsteld. Naar de eerste twee, die concreet vertelden over hun opleiding en werk, werd aandachtig geluisterd: zij boden een handvat voor toekomstige loopbanen. Maar de meest geslaagde, de jonge dokter, hield een peptalk over zelfverbetering en het afleren van slachtoffergedrag en werd prompt uitgejoeld. Waarom? Hij was niet meer één van hen, aldus Sennett, hij sprak de taal van de elite. `De secretaresse liet de jongeren zien wat ze konden doen, de jonge dokter hield ze voor wie ze moesten worden'. Iemand zoals hij. Dat is eerder krenkend dan stimulerend, want in het getto wordt je juist geleerd niet op te vallen. De afstand tussen het rolmodel en zijn pupillen was hier te groot.

Sennett is eerder tastend dan stellig, maar zulke inzichten maken Respect prikkelend en actueel. Zo roept dit voorbeeld twijfels op over de zinnigheid van een confronterende aanpak bij inburgering, zoals die van Ayaan Hirsi Ali die de achtergestelde positie van moslima's wijt aan hun godsdienst. Waar of niet, daarmee stelt ze impliciet als voorwaarde voor emancipatie stelt dat zij eerst andere mensen moeten worden, seculiere modernisten zoals zijzelf. Het beoogde resultaat is hier, met andere woorden, tegelijk zijn eigen voorwaarde.

Sennett gaat ook uitgebreid in op verschillende manieren om sociaal werk te doen, mede door het voorbeeld van zijn moeder, sociaal werkster in Chicago. Hij contrasteert de moderne aanpak van Chicago's bekendste sociaal werkster, Jane Addams, met de traditionelere van de katholieke non Frances Xavier Cabrini, winnares van de Nobelprijs voor de vrede en naamgeefster van het getto waar de Sennetts opgroeide. Addams gruwde van het paternalistische religieuze medelijden met de armen, Cabrini op haar beurt vond de koele professionele distantie van Addams een teken van middle class-arrogantie. Sennett zoekt het midden. Hij begrijpt de krenking die van medelijden kan uitgaan, maar waarschuwt tegen onpersoonlijke, puur bureaucratische zorg. Een samenleving die al regelmatig last heeft van compassion fatigue kan niet zonder de persoonlijke betrokkenheid van individuen die over sociale klassen heen respect mogelijk maken. Zelf vond Sennett het ook prettig en terecht dat zijn arts, na de mislukte operatie die hem zijn loopbaan als cellist kostte, enig persoonlijk gewetensonderzoek had gedaan.

Over de rol van bureaucratieën in de moderne samenleving, zoals die van de verzorgingsstaat, is Sennett in het algemeen ambivalent. Enerzijds kunnen die door hun `gevangenisachtige'structuur het zelfrespect van werknemers krenken, maar Sennett wijst er op dat ze juist ook iets te bieden hebben: de mogelijkheid van sociale hechting en professionele loyaliteiten. De klassieke bureaucratie, die sterk gelaagd en hiërarchisch van aard is, biedt bovendien bescherming tegen willekeurige ingrepen van bovenaf. Die laatste bufferfunctie is in de moderne tijd, met steeds plattere organisaties, aan het verdwijnen. Door het wegpellen van lagen bureaucratie kan de leiding van een bedrijf of overheidsdienst hogere eisen stellen, en sneller corrigerend ingrijpen. Ook dat zet het zelfrespect van werknemers, die in steeds lossere teams opereren, volgens Sennett onder zware druk: morgen kan het immers afgelopen zijn.

Autonomie staat bij Sennett centraal in zijn notie van wederzijds respect, maar hij wordt niet erg duidelijk hoever we daarin moeten gaan: wanneer getuigt juist ingrijpen van respect, dat wil zeggen het niet geheel tolereren van andermans autonomie? Sennett begrijpt dat ook wel. Hij pleit voor een verzorgingsstaat die zwakkeren respect betoont door ze juist actiever in te schakelen in de vormgeving van hun leven, hoe afhankelijk ook, en er niet voortdurend op te hameren dat ze koste wat kost hun `potentieel' moeten waarmaken. Het gaat ook om `de bereidheid om vreemden voor elkaar te blijven'.

Sennett komt helaas niet met concrete suggesties of adviezen, maar pleit in het algemeen voor het waarderen van eigen inzicht en concrete vaardigheden van zwakkere groepen en voor het erkennen van rechtmatige afhankelijkheid van volwassenen die niet `hogerop' komen. Het besef van menselijke autonomie kan soelaas bieden voor een overigens onvermijdelijke ongelijkheid. Dat laatste advies, hoe vaag ook, is welkom in een tijd dat onderling respect taant en menselijke waardigheid wordt voorbehouden aan de eigen groep.

Richard Sennett: Respect in a World of Inequality. Norton, 288 blz. €34,–

Een Nederlandse vertaling verschijnt op 20 februari bij Byblos, €21,50

    • Sjoerd de Jong