Lastige mannen, maar ze konden wel bouwen

Van drie architecten van het verleden leert de onderzoekende toerist in Londen in een paar dagen de stijl herkennen. Het zijn Wren, die na de grote brand van 1666 de kathedraal van St. Paul en veel andere kerken in de City bouwde; Nash die omstreeks 1810 de huizen van Regent's Park en de onvoltooid gebleven boulevard naar het West End ontwierp; en Gilbert Scott van het St. Pancras Hotel en talrijke andere neogotische bouwwerken in de late negentiende eeuw.

John Soane (1758-1835) is minder duidelijk te zien in het stadsbeeld, wat hem geërgerd zou hebben, zoals er zijn leven lang van alles was dat hem ergerde. Hij deed ingrijpend werk aan gebouwen die er nog staan, zoals de Bank of England, het Royal Hospital voor oud-soldaten in Chelsea en het museum in Dulwich. Het ongeluk voor hem is dat in de afgelopen twee eeuwen veel van zijn creaties veranderd of bijgewerkt zijn en er niet meer uitzien zoals hij bedoelde.

Zijn duurzame aanwezigheid in de stad wordt voornamelijk verzekerd door zijn eigen huis dat hij als museum aan het nageslacht vermaakt heeft. Het staat aan Lincoln's Inn Fields vijf minuten ten noorden van de Strand en is door hemzelf binnen en buiten verbouwd. Het herbergt zijn grillige verzameling antieke en moderne kunst. Wie er een ochtend ('s middags is er meer gedrang) rondkijkt, zou wel een bedankbrief willen schrijven aan de schim van de humeurige oude verzamelaar.

De schim van Sir Christopher Wren (1633-1723) komt nooit zo dichtbij. In zijn kathedraal, zijn kerken en zijn buitenhuizen laat hij zich niet kennen, en in Adrian Tinniswoods biografie maar zelden. Hij was een kleine man uit een domineesfamilie die van jongs af aan, op school en in Oxford, zijn tijdgenoten versteld deed staan door zijn intelligentie, zijn snelle begrip en zijn nieuwe ideeën. Op zijn vierentwintigste werd hij hoogleraar in de sterrenkunde, een van de vele vakken die hij beheerste; ze hadden hem ook als wiskundige, bioloog of medicus kunnen aanstellen, en zelfs als bouwkundige.

De architectuur was niet zijn eerste keuze. Dat hij er toch vanaf zijn vijfendertigste zijn beroep van maakte, kwam doordat hij al enige gebouwen voor de aardigheid ontworpen had en een project had ingediend voor de wederopbouw van Londen na de grote brand van 1666. Het project kon niet uitgevoerd worden, het doorkruiste te veel eigendomsrechten. Maar toen hij eenmaal betrokken was bij de plannen, kwam hij vanzelfsprekend aanmerking om een nieuwe kathedraal te bouwen. In 1668 kreeg hij de opdracht.

Barokstijl

In 1708 was het gebouw klaar, op de afwerking na, en Wren mocht op zijn werk terugzien met een voldoening die hij niet voelde. Behalve architect was hij bijna al die tijd ook rijksbouwmeester (`surveyor-general') geweest, en hij had bij zijn vele administratieve taken geen tijd overgehouden voor de sterrenkunde en andere wetenschappen die hij meer de moeite waard vond – al brachten ze minder geld op. Hij was een knorrige oude heer geworden, en al had hij de hoogte bereikt van meest aanzienlijke man van Engeland na de hertog van Malborough (de veldheer), hij had laatdunkende kritiek te verduren van jonge architecten en nieuwlichters die zijn barokstijl verouderd vonden en daarbij durfden te beweren dat hij bouwtechnisch tekortgeschoten was. Dat hij op zijn post bleef als surveyor-general na zijn tachtigste werd ook afgekeurd door vakgenoten en opinievormers die vonden dat het tijd was voor iemand anders.

Zijn gezinsleven was niet troostrijk geweest: twee huwelijken met vrouwen die na een paar jaar stierven en een dochter die op haar vijfentwintigste overleed. Het had nog eenzamer kunnen zijn, en misschien had hij het zo druk dat het hem weinig kon schelen. Helemaal duidelijk is het niet. Bij gebrek aan persoonlijke documenten heeft Tinniswood weinig ruimte van zijn biografie besteed aan Wrens vrije tijd. Wie weet hoe hij zich ontspande na zijn kantooruren, en wat hij voor verhalen kon vertellen bij een glas sack – de lezer van deze biografie weet het niet, en moet zich tevreden stellen met het beeld van een gesloten, strenge, spitse man.

En dat voor een protégé van Charles II, de merry monarch! Gelukkig had Wren geen tijd voor bezoek aan hofkringen, waar hij overigens niet in het kader gepast zou hebben. Waarschijnlijk zou hij het met Tinniswood eens geweest zijn dat er behalve zijn werk weinig van hem beschreven hoefde te worden: alleen enige uithalen naar rivalen en critici die hem dwars zaten.

Voor de biografisch geïnteresseerde lezer is er meer te beleven aan Gillian Darleys boek over Soan (zoals zijn naam gespeld werd voordat hij er een `e' aan toevoegde om hem meer cachet te geven). Hij was anders dan Wren van bescheiden afkomst. Op zijn vijftiende jaar begon hij als hulpje op een architectenkantoor waar hij zich al gauw onderscheidde. In 1771 werd hij toegelaten op de Royal Academy; vijf jaar later kreeg hij een reisbeurs voor Rome, waar hij nuttige contacten legde met aanzienlijke jonge landgenoten op hun Grand Tour.

In de volgende jaren kreeg hij het druk met uitbreidings- en vernieuwingswerk aan de buitenhuizen van hun families. Op den duur ging hij meedingen naar openbare opdrachten, incidenteel of met een vaste verbintenis zoals bij de Bank of England waarvan hij in 1788 architect werd. De concurrentie voor die banen was hevig; Soane had het voordeel dat hij van aanpakken wist in relatiewerk. Als het hem niet lukte, werd hij boos en achterdochtig; zijn leven lang rommelde het in hem van de grieven, ruzies en duurzame vervreemdingen. In 1812 schreef hij het pamflet Crude Hints towards the History of my Life waarin hij duidelijk wilde maken hoe hard de wereld hem dwarsgezeten had, zodat tenslotte `The subject becomes too gloomy to be pursued – the pen almost drops from my palsied hand'.

Gebroken man

Intussen had hij honderdduizenden ponden verdiend, dat wil zeggen miljoenen in modern geld, ook toen de Engelse economie ontwricht werd door de Napoleontische oorlogen. Hij werd nog somberder toen zijn vrouw stierf in 1815. Jarenlang bleef hij zich gedragen als een gebroken man, behalve als hij stevig doorwerkte en verzamelde. Twee van zijn lasten waren zijn zoons John en George, die zich verzetten tegen zijn pogingen om hen op te leiden tot architecten om zodoende een `dynastie' te vestigen. De minst opstandige van de twee stierf jong aan tuberculose. De ander wilde als schrijver erkend worden en trok voorbijgaande aandacht met wat toneelwerk en een paar hatelijke anonieme stukken tegen de bouwstijl van zijn vader, die ze zwaar opvatte.

Na de dood van de vader ging die zoon procederen om het testament ongeldig te laten verklaren dat hem zijn erfenis ontzegd had ten bate van het museum. Hij kreeg het niet gedaan. Het museum heeft standgehouden, en trekt in de tegenwoordige toeristische wereld genoeg aandacht om voort te bestaan. Ook het eigen werk van de stichter staat weer meer in aanzien, al is er geen gebouw aan te wijzen dat hem in zijn geheel vertolkt.

Lezers met een voorkeur voor levensgeschiedenissen van innemende en goedgemutste voorvaderen moeten Sir John Soane misschien maar op een afstand houden. Hij was een lastige en nijdige man, en alleen iemand die met zijn gezindheid kan sympathiseren zal hem belangstellend blijven volgen. Zijn levensverhaal wordt evenmin opgefleurd door de vertelkunst van Gillian Darley. Net als Adrian Tinniswood over Wren is zij grondig geïnformeerd en deskundig; beide auteurs schieten tekort als stilist, zodat de lezer zich af en toe moet inspannen om bij de tekst te blijven.

Behalve voor liefhebbers van architectuur zijn beide uitgaven ook interessant voor liefhebbers van Londen. Die zullen er de stad van vroeger en nu nòg duidelijker door zien.

Adrian Tinniswood: His Invention so Fertile. A life of Christopher Wren. Jonathan Cape, 463 blz. €47,24

Gillian Darley: Sir John Soane. An accidental romantic. Yale University Press, 386 blz. €35,50 (pbk)