In het hart van de horror

Tegen het einde van zijn gedeeltelijk autobiografische, inktzwarte roman Kameraad Scheermes, over een man die zich ontworstelt aan een langdurige depressie, citeert Rogi Wieg deze uitspraak van James Joyce: `De moderne schrijver heeft veel meer belangstelling voor het potentiële dan voor het werkelijke'. In een van de nawoorden die Wieg het boek meegeeft, blijkt dat hij Joyce's woorden met instemming heeft aangehaald. Hij gebruikt ze als rechtvaardiging voor de omslachtige constructie van Kameraad Scheermes, waarin het romanpersonage Jonathan Finkel de geschiedenis van zijn depressie vertelt, afgewisseld met hoofdstukken waarin een vrijwel identiek romanpersonage, Rogi Wieg genaamd, zijn hart uitstort over nagenoeg dezelfde ervaringen.

In een nawoord waarin schrijver Rogi Wieg, in navolging van Multatuli in Max Havelaar zelf de pen opneemt (`ik spreek nu niet als romanfiguur') zegt hij dat hij in dit boek heeft geprobeerd `jaren van leed' in kaart te brengen. `Maar even belangrijk was de uitbeelding van de geboorte en de mogelijke toekomst van mijn dochter: het potentiële'. Voor dat `potentiële' had hij fictie nodig en daarmee komt hij terug van zijn in Liefde is een zwaar beroep (1998) beleden credo dat schrijvers zich niet achter fictie moeten verschuilen.

Zowel het romanpersonage Wieg als het romanpersonage Finkel is in 1998 ten prooi gevallen aan wat in psychiatrische termen een major depression heet. Beiden hebben twee zelfmoordpogingen ondernomen, waarvan één met behulp van een scheermes, beiden zijn met de verkeerde vrouw getrouwd bij wie zij een kind hebben verwekt. Allebei hebben ze een treurige gang achter de rug (inclusief twaalf mislukte elektroshocks) door de in Nederland belabberd functionerende geestelijke gezondheidszorg, en als door een wonder vinden ze uiteindelijk redding bij een deskundige, sympathieke psychiater/vriend.

Er zijn ook significante verschillen tussen Finkel en Wieg: de één is een gevierd schilder die in zijn wanhoop gaat dichten, de ander is een bekende dichter die zijn toevlucht neemt tot schilderen. Belangrijker is hoe ze op de geboorte van hun dochters reageren: Finkel vermoordt zijn vrouw (althans laat dat de lezer geloven) met op de langere termijn als resultaat een intensief contact met zijn dochter Clara; Wieg laat zijn ex-vrouw in leven, maar moet berusten in zwaar bevochten kille omgangsregeling met zijn dochter Isadora. In het `tweede nawoord' legt schrijver Wieg uit dat Clara zijn `ideaalbeeld is van een twaalfjarige dochter die kiest voor haar vader en hem accepteert zoals hij is'. Hij zou willen dat zijn dochter zich later met Clara associeert.

Dit `tweede nawoord', evenals het `eerste nawoord' en `Het laatste woord' onderstrepen wat de zwakte van deze roman is: alles wat de schrijver aan constructies, metaforen of bedoelingen heeft bedacht – of ontleend aan Max Havelaar – wordt uitentreuren uitgelegd, niet alleen achteraf, maar ook in de ontboezemingen van de romanpersonages Finkel en Wieg. Finkel zegt: `Als ik soms zaken herhaal, spijt me dat niet. Ik doe het met opzet. Want depressie is herhaling op herhaling. Een major depression is een oneindige herhaling van een horror die buiten de grenzen valt van een normaal voelend en normaal denkend mens.[...] Als ik mezelf herhaal, doe ik dit omdat ik daartoe de drang voel. Ik wil niet alleen zijn. Ik wil en wilde begrepen worden.'

Ik wil begrepen worden: hierin klinkt alweer Multatuli door (`Ik wil gelezen worden'). Ook Wieg, die veel geleden heeft, wil gelezen worden. Zo ziet zijn personage Wieg het als zijn taak om `al dat onvoorstelbare materiaal dat het leven mij heeft geboden om te smeden tot een roman, die esthetisch kan ontroeren. Ik wil nog altijd kunst maken, en geen psychiatrisch verslag.' Zoals bekend was het niet Multatuli's voornaamste doel om `kunst' te maken, diens Max Havelaar was primair een aanklacht, maar zijn talent dwong af dat die aanklacht kunst werd. Rogi Wieg bereikt het omgekeerde effect: Kameraad Scheermes is een kreet om begrip en een aanklacht tegen Nederlandse crisiscentra en psychiatrische klinieken, waar regelmatig mensen in acuut levensgevaar ten offer vallen aan verkeerde diagnoses, en gesommeerd worden te stikken in hun ellende en te verdwijnen.

Als aanklacht tegen de geestelijke gezondheidszorg is Kameraad Scheermes overtuigend en aangrijpend, maar daarvoor was de constructie met Finkel niet nodig geweest. Finkel, door Wieg in het leven geroepen om te vertellen welke `horror' zich in het hart van een depressie bevindt, heeft daar eenvoudigweg de middelen niet voor in huis. `Finkel', aldus het romanpersonage Rogi Wieg, `is mijn vorm. Hij is mijn bezigheid. Mijn werktherapie.' Als `vorm' is Finkel – en daarmee de roman Kameraad scheermes – niet uit de verf gekomen, als therapie heeft de schrijver Rogi Wieg blijkens zijn nawoorden duidelijk veel baat gehad bij dit boek. En dat is ook iets waard.

Rogi Wieg: Kameraad Scheermes. De Arbeiderspers, 272 blz. €17,95

    • Elsbeth Etty