`Ik schrijf tegen zekerheden'

Nancy Huston schrijft vaak over bannelingen, zowel in het Engels als in het Frans. ,,De roman is een poging om verhalen te vertellen die zin geven aan het leven.'

Wie in meer talen schrijft en publiceert, kan soms in rare situaties terechtkomen. Nancy Huston, die ter gelegenheid van de vertaling van haar roman L' empreinte de l'ange (Het teken van de engel) een kort bezoek brengt aan het Maison Descartes in Amsterdam, kan erover meepraten. Huston, die in 1953 in Calgary, Canada, werd geboren, maar al een jaar of twintig in Parijs woont, schreef haar recentste romans tegelijkertijd in het Frans en in het Engels. Afhankelijk van haar personages en de setting van haar intrige begint ze in de ene taal en vertaalt ze haar tekst, al schavend en schurend, in de andere.

De eerste keer dat ze zo te werk ging, voor Cantique des plaines uit 1993, begon ze in het Engels: logisch, het boek ging over het landschap van haar prille jeugd, over cowboys en indianen. Het verscheen tegelijkertijd in een Engelse en Franse versie. De Franse werd bekroond met de meest prestigieuze literaire prijs uit Québec, de Prix du Gouverneur général. Het werd een schandaal, met heftige protesten tegen het feit dat de belangrijkste prijs van het Franstalige Québec werd toegekend aan een Engelstalige uit Parijs. Hustons volgende boek, Het teken van de engel, mocht dan ook naar geen enkele literaire prijs in Québec meer meedingen.

Dit boek begon Huston in het Frans. In 1957 komt een twintigjarige Duitse, Saffie, aan in Parijs en vindt werk als huishoudster bij een Franse fluitist, Raphaël Lepage. Gruwelijke gebeurtenissen in haar jeugd en in de oorlog, hebben van Saffie een ongrijpbare, schijnbaar gevoelloze vrouw zonder levensvreugde gemaakt, die de gepassioneerde avances van Raphaël koeltjes ondergaat. Ze stemt toe in een huwelijk en krijgt een zoon, Emil, voor wie ze nauwelijks moederlijke gevoelens koestert. Dat gebeurt pas wanneer ze de fluitmaker van haar echtgenoot ontmoet, de Hongaarse jood Andras, voor wie ze een grote hartstocht opvat en met wie ze een jarenlange, geheime relatie zal onderhouden. Andras is communist en actief in de FLN, de beweging die strijdt voor een vrij Algerije en die juist in die tijd Parijs terroriseert. Andras en Rafaël raken verstrikt in de verschrikkelijke nacht van 17 oktober 1961, waarbij een pro-Algerijnse demonstratie eindigde in razzia's en vele doden en verdwijningen.

,,Als ik toen rond de vijfentwintig was geweest en in Parijs had gewoond, was ik links geweest, en communistisch, revolutionair', zegt Huston. ,,Dan had ik het FLN gesteund. Zelf sta ik het dichtst bij Rafaël, de musicus. Zijn artistieke passie maakt hem blind: hij denkt dat hij zijn vrouw gelukkig maakt, dat het haar beter gaat omdat hij haar vaste grond onder de voeten heeft gegeven. Maar Saffie heeft geen enkel talent, zelfs het talent om iemand te zijn moet ze nog ontwikkelen. Ze werd verliefd op Andras omdat ze in zijn atelier voor het eerst een wanorde zag die goed was. Voor haar was wanorde altijd synoniem met chaos, met oorlog en vernietiging.

,,Ik wil laten zien dat er overal vervreemding is. Iedereen draagt oogkleppen. Andras omarmt het communisme, maar ziet niet de kiemen van toekomstige onderdrukking. Iedereen vergist zich, iedereen dwaalt. Alleen de manier waarop kun je kiezen. De roman is een laboratorium van de moraal. Ik schrijf tegen de daverende zekerheden, tegen de afdoende keuzes, tegen zwart-witte oordelen.'

Gevangenisstraf

Dat bracht Huston de afgelopen maanden ook in de praktijk, door het op te nemen voor een jonge, in Frankrijk geboren Algerijn, die na achttien jaar gevangenisstraf, werd veroordeeld tot `la double peine': hij werd het land uitgezet. ,,Ik spring zelden in de openbare politieke arena', zegt Huston, ,,maar ik was met deze Algerijn bevriend geraakt, al toen hij in de gevangenis zat en ik er een leesclub leidde. Zijn vrouw was net zwanger. Als hij nu een terrorist was... Je kunt niet meer om het probleem van de oude immigratie heen, het is om veel redenen een ontvlambare bevolkingsgroep geworden.'

Haar recentste roman, Dolce agonia, situeerde Huston juist weer in een ijskoud, besneeuwd, afgelegen landhuis in de VS, waar een groep vrienden zich aan het Thanksgivingdiner zet. De verteller is God, almachtig en alleswetend, die in zijn voorwoord een beetje gniffelt om de mensen die almaar op zoek zijn naar de zin van het leven. ,,Het is een knipoog naar het ideologische debat uit de jaren vijftig en zestig', zegt Huston, ,,toen men zei dat het afgelopen moest zijn met de alwetende verteller. Daar heb ik altijd een beetje om moeten lachen. Ik had een alwetende verteller nodig, iemand die de diepste gedachten van mijn personages verwoordt, die hun verleden en hun toekomst kent. Dus waarom niet God? Dat je weet hoe en wanneer ze zullen sterven, geeft die personages iets aandoenlijks, je raakt aan ze gehecht, hun leven wordt kostbaar. Ik denk dat het leven op zich geen zin heeft. Het gaat om de zin die wij aan het leven geven. Ieder ziet zijn leven als een verhaal. De roman is een poging om verhalen te vertellen die zin geven aan het leven.'

Zo vertelt Huston in Dolce agonia over een tiental personages. ,,Ik wilde dat proces laten zien: binnenin iedereen is het een vormeloze magma van herinneringen en ervaringen. Door naar het verhaal van een ander te luisteren, krijgt dat verhaal zin. Terwijl je met anderen praat, gaan er in je eigen hoofd allerlei parasitaire gedachten en associaties om. Het is een wonder dat mensen er uiteindelijk, ondanks alles, in slagen elkaar te begrijpen.'

Vaderland

Dat geldt zeker voor de bannelingen die zo vaak Hustons werk bevolken. Niet alleen hebben ze hun vaderland om wat voor reden dan ook verlaten, ze spreken ook niet langer hun moedertaal. Toen Nancy Huston drie jaar was, verliet haar moeder haar gezin voor haar carrière. Haar vader hertrouwde met een Duitse en binnen een paar maanden sprak ze Duits, en later, tijdens haar studie, Frans. Zoveel talen, zoveel identiteiten. Karakteriseerde ze zichzelf vroeger als een Parijse, Canadese, Québécoise en Amerikaanse schrijfster, als een ontheemde of als een auteur zonder culturele identiteit, tegenwoordig maakt ze zich er met een kwinkslag naar de streek even buiten Parijs waar ze graag verblijft: ,,Ik ben berrichonne, een schrijfster uit de Berry. Daar heb ik een kind gekregen, en dus kan ik dan worden genaturaliseerd, dat geldt immers ook voor Algerijnse vrouwen die in Frankrijk bevallen zijn.'

Ook Saffie en Andras uit Het teken van de engel zijn in exil, zijn ontwortelden. Huston: ,,Het Parijs van de balling ken ik nu eenmaal het beste. Exil is ook een vorm van vrijheid, zelfs voor degenen die niet uit vrije wil zijn vertrokken. In Parijs vindt iedereen voldoende vrijheid om zich te herstellen, om weer een leven op te bouwen. Je ziet ook wat de Fransen niet zien, namelijk hoe relatief identiteit is. Ik heb dit boek geschreven na mijn eerste succes in Frankrijk, toen iedereen zei dat ik een Franse schrijfster was. Maar ik wilde niet één worden met dat land. Ik wilde in de soep spugen. Die blik van buitenaf wilde ik behouden: het kan mensen intelligent maken, veel meer dan wanneer ze thuis blijven.' Julia Kristeva sprak in dverband van `een vreemd soort geluk'. Huston: ,,Daar kan ik me in vinden. Zelfs een vrijwillige ballingschap wordt op den duur een exil. Je kunt niet meer terug, je bent niet meer dezelfde persoon. Dus ben je én hier én daar – verdeeld. Dat doet soms pijn, maar het is ook een bijzonder wenselijke situatie voor een schrijver. Iedere schrijver, iedere kunstenaar heeft afstand nodig, ook ten opzichte van zijn moedertaal. Exil geeft je die afstand, je krijgt hem gewoon cadeau.'

Nancy Huston: Het teken van de engel. Vertaald door Théo Buckinx. Bert Bakker. 228 blz. €15,95. Dolce agonia. Actes Sud. 497 blz. €20,13 De Engelstalige editie van Dolce agonia verscheen bij Vintgage/Ebury, 304 blz. €17,35 (pbk.)

    • Margot Dijkgraaf