Het romantisch misverstand

Er zijn mensen die geloven dat in Den Haag een bewind van marionetten zetelt. Om de werkelijke machten aan het werk te zien, moet je in de kroegen binnen de Amsterdamse grachtengordel gaan kijken. Daar zitten de journalisten en de kunstenaars, de reclamemakers, de consultants en de columnisten, de smaak- en de opiniemakers. De echte elite van de macht. Al zuipend maken zij uit wie hier de lakens gaat of blijft uitdelen. Als ze het eens zijn, laten ze hun besluiten doorsijpelen naar `Hilversum'. Daar zitten hun knechten, die volgens de aanwijzingen de politici maken of breken. U kiezer denkt dat u in een vrij land woont. U vergist zich, en dat is de bedoeling. In werkelijkheid danst u naar het pijpen van die samenzwering.

Heel in de verte doet het denken aan de Franse encyclopedisten, Diderot, d'Alembert, Rousseau, Voltaire, die regelmatig bij elkaar kwamen in de Prokop, al pratend en schrijvend hun vrijdenkerij ontwikkelden en de Revolutie voorbereidden. Het slot was dat het hoofd van Lodewijk XVI eraf ging. De Prokop bestaat nog; een restaurant met een laag, zwaar berookt plafond. Daar zaten ze dus te smoezen, denk je; en als je gaat zitten, wie weet op de plaats waar Voltaire heeft gezeten, voel je de eerste trillingen van de Revolutie door je hersens trekken.

Dichterbij: in de jaren dertig van de 19de eeuw was er in Berlijn een soort Prokop. De eigenaar heette Kaspar von Hippel. Bij hem kwam ook zo'n soort gezelschap samen. Ze noemden zich Die Freien. Jonge filosofen, schrijvers, journalist-achtige types, zoals Bruno Bauer, Ludwig Feuerbach, Karl Marx en Kaspar Schmidt, die zich later Max Stirner is gaan noemen. Ze vonden dat er veel in de wereld niet deugde. Daar moest verandering in komen. Ook hun plannen zijn radicaler verwezenlijkt dan ze misschien toen durfden te dromen. Dat weet je niet zeker. Het meesterwerk van Stirner heet Der Einzige und sein Eigentum. De inleiding laat zich lezen alsof die gisteren is geschreven. Zou als geloofsbelijdenis door iedere moderne jongere boven zijn bed kunnen worden geprikt. De uitwaaieringen van het marxisme zijn op alle gebieden van de politiek, cultuur, de kunsten zo talrijk en ingewikkeld dat ze niet meer te beschrijven vallen.

Nog zo'n clubje waarvan het denken en doen enige, hoewel beperkter invloed heeft gehad: de Beatniks die tussen 1950 en 1965 vanuit San Francisco en New York het land onveilig maakten. Norman Mailer heeft nog burgemeester van New York willen worden. Niet gelukt. De door hem mede opgerichte Village Voice bestaat nog, als links, gratis advertentieweekblad. De wereld is er niet mee omgeturnd.

Nu gelooft Henri Beunders, hoogleraar in Rotterdam, dat met de overwinning van de PvdA, na de LPF-revolutie van het vorig jaar de culturele strijd tussen de `zogenaamde anti-intellectuele doeners uit de Maasstad en de paarse intellectuele elite' die hij in Amsterdam lokaliseert, weer is losgebrand. Ik voel me aangesproken omdat hij mij tot de `grachtengordel-intellectuelen' rekent. Hij voorziet (in de Volkskrant van 21 januari) een `ideologische veldslag' tussen de twee steden. Ik beschouw zijn visie als de nieuwste versie van dit ideologisch misverstand: dat in deze tijd mensen als aspirant-Voltaires, -Stirners en -Marxen in staat zouden zijn, eventueel vanuit geheime cafés binnen de grachtengordel, nog ergens de politieke, artistieke of ideologische lakens uit te delen. Beunders is trouwens niet de enige die dat denkt.

Ze vergissen zich, allemaal. Dit is geen politieke column en daarom zal ik niet ingaan op de intellectuele hoogstandjes die de volgelingen van Pim Fortuyn het afgelopen jaar ten beste hebben gegeven. In het `denken', de artistieke en intellectuele toestand in Nederland is er op het ogenblik niemand, geen grote geest en ook geen club die ook maar bij benadering de toon aangeeft. Er is een elite die in Aalsmeer zetelt. Die zit daar de content voor de hoogste kijkcijfers te verzinnen (zoals ik eens op verzoek van Henri Beunders voor zijn universiteit heb uitgelegd). Een andere elite houdt zich bezig met de ruimtelijke ordening en het esthetisch aanzien van Nederland. Die is onder andere gevestigd in het Nederlands Architectuur instituut in Rotterdam, en in een galerie in de Witte de Withstraat, De Oplichterij. Het museum De Beyerd in Breda kun je beschouwen als het centrum van de kleine denktank. En zo weet ik in Groningen en Maastricht ook nog het een en ander.

Het nationale probleem is misschien wel dat wij op het ogenblik niet zo'n nationale Gideonsbende hebben. Het is allemaal vaag en middelpuntvliedend. Wat dat aangaat, zijn we in groot gezelschap. De Amerikanen en de Duitsers hebben hetzelfde tekort. Wordt daarin voorzien, dan maakt dat andere mensen boos. Dat is dan hun tekort en hun probleem.

    • H.J.A. Hofland