Geen stof, maar licht

In 1989 debuteerde Ingmar Heytze, net negentien, met Alleen mijn kat applaudisseert. Op literaire podia heeft hij sindsdien ook menselijke handen op elkaar gekregen en onlangs is zijn zesde bundel verschenen. Zijn Utrechtse uitgever presenteerde hem in 1997 als `aanrader zowel voor de liefhebbers als voor degenen die de moderne Nederlandse poëzie al bijna hadden opgegeven'. Dat suggereert dat Heytze de dichtkunst een nieuwe richting geeft – maar doet hij dat echt?

Zo retorisch gesteld lijkt het alsof ik die vraag al bij voorbaat ontkennend beantwoorden wil. Het probleem met de gedichten van Heytze is dat ze zowel ouderwets als vernieuwend zijn. Qua stijl en taalgebruik lijkt hij een kloon van de latere Hans Andreus. De romantische toon zou dezelfde herkomst kunnen hebben; maar meer dan Andreus nog is Heytze een dichter van het heden. Dat uit zich in eigentijdse termen als `top-notch-stealth-techniek' en in talrijke pastiches, parodieën en bewerkingen van poëtische tijdgenoten. Zoals in zijn eerdere bundels eindigt Het ging over rozen met een uitgebreide verantwoording: twee pagina's hommage aan vrienden en soortgenoten. Aan het eind ervan verklaart de dichter zich schatplichtig aan vijftig collega-dichters, van Hans Andreus tot en met Joost Zwagerman.

Die lijst is uiteraard ironisch. Bart F.M. Droog en Eva Gerlach, Hans Mirck en J. Slauerhoff zijn geen gelijken in de literaire canon. Maar evengoed is zo'n lijstje op te vatten als een liefdesverklaring aan de poëzie. Het toont ook de omnivore hartstocht die elke bundel van Heytze uitstraalt. Bij zoveel enthousiasme vormen glissando en uitglijer weliswaar herhaaldelijk een maatschap, maar wie de moeite neemt om Heytzes oeuvre geheel te herlezen ontdekt ook juweeltjes. In Het ging over rozen is `Rietveldzit' zo'n bijou:

Ken je het gevoel dat je gaat zitten

op een stoel die er niet staat,

de sensatie dat iets plotseling niet is

waar je het zonder twijfel had verwacht,

een onzichtbare duw van voren.

Verbaasde berichten naar alle spieren:

Mayday! Mayday! We zweven!

We vallen!

Uitklapreflex van beide armen.

Daarom zit de Rietveldstoel zoals hij zit,

zo laag en blauw en rood en goed,

als om er op te wijzen dat men af en toe

eens moet gaan zitten op een stoel

die er niet staat.

Heytze fungeerde een tijd als huisfilosoof van het Centraal Museum te Utrecht en publiceerde ook verzen in Filosofie Magazine. Een beschouwelijke levenshouding is hem blijkbaar eigen. Bespiegeling vind ik ook het sterkste aspect van zijn poëzie. Als de neoromantische pose, die ook in deze bundel nomadisch rondwaart, het veld ruimt voor contemplatieve ernst, komt de echte dichter aan bod. En waar oprechte romantiek en bespiegeling samengaan ontstaan prachtverzen. `Projectie' is daar een goed voorbeeld van. Heytze publiceerde het vorig jaar in de dagkrant van het Nederlands Film Festival, maar het is allerminst een gelegenheidsvers. De dichter spreekt een geliefde toe over de dood. `Het zal wel donker zijn', zegt hij, `en stil als je er niet meer bent.' Hij vergelijkt die ervaring met het `ademloos moment/ waarop het zaallicht dimt voordat de film begint', en dan vallen metafoor en bespiegeling als vanzelfsprekend samen in twee kwatrijnen:

dat ogenblik. De hele eeuwigheid. Misschien.

Maar als je droomt dat je een vlinder bent,

kun je evengoed een vlinder zijn

die droomde dat hij mens was.

Je mag dit nooit vergeten. Op een dag

kust een van ons de ogen van de ander dicht

en moet dan weten: dit is louter pauze totdat

alles

weer opnieuw begint. Jij en ik – geen stof,

maar licht.

Dit vers heeft alles in zich om zich in de canon en in rouwadvertenties te nestelen. Ik bedoel dit niet ironisch. Zoals Menno Wigman is Heytze op z'n best eerder klassiek dan vernieuwend.

Er zijn nog drie andere verzen die tot herlezing noden: `Interview met de dichteres', `Achterbergsonatine' en `Pastorale'. Ze zijn zeer ongelijksoortig, al gaan ze alle drie over de problematiek van communicatie. Dat én de dood zijn heersende thema's in Heytzes oeuvre, maar het lukt hem niet altijd om het laatste woord achterwege te laten en het raadsel in taal tot stolling te brengen. Ik heb het niet over gedichten die meer gepuzzel vereisen dan een cryptogram; want daarvoor moet u niet bij Heytze zijn. Wat ik bedoel wordt duidelijk voor wie `Projectie' vergelijkt met `Uitsluitsel', dat op de pagina links ervan staat. `Uitsluitsel' begint en eindigt met een aforisme. `Doodgaan', stelt de het slotcouplet, `is eenvoudigweg/ de dag niet meer beleven/ stil als licht verdwijnen/ door een deur/ die niemand/ opendeed.' Dat is puntig verwoord, maar niet meer dan dat. De metafoor van het dimmende licht, dat vanzelfsprekende vliegwiel in `Projectie', is hier in een zinspreuk gesmoord.

Ingmar Heytze: Het ging over rozen. Podium, 48 blz. €12,50

    • Arie van den Berg