En er wordt geen mossel genuttigd

Het Vlaams is een bastaardvoortbrengsel van het Nederlands, beweerde Jeroen Brouwers. En daarom zal veel Vlaamse literatuur voorgoed verdwijnen. Brouwers zat er naast.

De klassieke letterkunde van Vlaanderen leeft meer dan ooit. Terecht, want het schrijven in Vlaanderen is zowel belijdenis als initiatie. Kom daar maar om in de Nederlandse literatuur.

Alleen al de titels: Zomer te Ter-Muren, Winter te Antwerpen, Tien brieven rondom liefde en dood, Gangreen 1 Black Venus, De Kappelekensbaan, De oogst, De vlaschaard, Het leven en de dood in den ast, Klinkaart, De trap van steen en wolken, Zonder clan, Omtrent Deedee, Eros en de eenzame man, De razernij der winderige dagen en Mieke Maaike's obscene jeugd. Een middelbare scholier staat in de provinciale bibliotheek in Oost-Nederland en leest, het hoofd schuin, de rug van de boeken. Hij zal de werken een voor een lenen, lezen, en later kopen. Zonder dat er een welopgezete beslissing aan vooraf is gegaan, wordt hij in die jaren vrijwel uitsluitend de lezer van Stijn Streuvels, Louis Paul Boon, Maurice Gilliams, Jef Geeraerts, Hugo Claus, Paul van Ostaijen en vele andere auteurs. In de literatuurhistorie staan zij vermeld onder het lemma `Vlaamse literatuur'. Een werkelijke definitie geeft de geschiedenis niet. Het zijn auteurs die in Vlaanderen zijn geboren, dat is de enige overeenkomst. Sommigen geven hun werk in Nederland uit, anderen in België bij uitgeverijen gevestigd boven de taalgrens die, grofweg, loopt over Leuven, Brussel, Oudenaarde en Ieper naar het zuiden van de Westhoek aan de kust.

Pas een tijdlang na zijn ontdekking van de Vlaamse literatuur begon de scholier ook de Nederlandse ofwel Noord-Nederlandse letterkunde te lezen. Opeens besefte hij het verschil. `Zijn' literatuur was er een van belijdenis, van de felle bewogenheid, soms zelfs van de exorbitante roes van taal en zinnen. Hij hield van het sensuele van de Vlaamse boeken die hij, een enkel werk van Stijn Streuvels uitgezonderd, moeiteloos kon lezen. Het was of de Vlaamse boeken hem dichter op de huid zaten, misschien omdat ze zonder terughoudendheid en met een overgave waren geschreven die in het noorden vreemd is. Gedempte humor of ironie, de stijl van afstandelijke en licht-geamuseerde, soms fletse observatie kwam hij niet tegen. Want dat waren de overheersende kenmerken van de Nederlandse literatuur in de jaren zestig en vooral zeventig.

Zo begint bijvoorbeeld Zonder clan (1972) van Jef Geeraerts: `Terwijl ik met beide handen over mijn gezicht wrijf is het middernacht zie ik en de druppel rolt langzaam van de ruit en buiten in de uitgestorven straat onder het licht van de neonbuizen met eronder het schuine regengordijn staan zoals altijd de wagens op het asfalt in de plassen en Halleluja denk ik een nieuwe dag is ons geboren...' Het is een zin die, nagenoeg zonder leestekens, negentig bladzijden in een adembenemend tempo voortjaagt. Of de novelle De oogst (1900) uit de verzamelbundel Zonnetij van Stijn Streuvels: `Rik lag uitgestrekt in 't gras onder de linde en Wies zat, over de knieën gebogen, op het bol van een gevelde eik. De jongens rookten hun pijp in de avondstond. Nu en dan zegden zij, halfstil, een woord, meest over bekende dingen, die ze evengoed ongezegd konden laten.'

Deze boeken zijn anders, maar wie dat andere wil benoemen, vervalt in algemeenheden. Misschien is het makkelijker te zeggen waarom de Zuid-Amerikaanse literatuur verschilt van de Nederlandse, dan om aan te geven waarin de Zuid-Nederlandse letteren zich onderscheiden van de zogeheten boven-Moerdijkse. Misschien omdat Nederland en Vlaanderen twee landen zijn, zowel verenigd als gescheiden door een taal. Volgens Jeroen Brouwers in Mijn Vlaamse jaren (1978) zijn Nederland en Vlaanderen gevangen in een `huwelijk' dat `nodig ontbonden' dient te worden. En, eveneens volgens Brouwers, is het `Vlaams een vertakking, een overblijfsel, een bastaardvoortbrengsel van het Nederlands'. Veel Vlaamse literatuur zal, volgens Brouwers, `binnen afzienbare tijd voorgoed verdwijnen' wegens de onbegrijpelijkheid van het Vlaams.

Ik herinner me Brouwers' anti-Vlaamse pamfletten goed. Ze zijn meeslepend en briljant geschreven, de woede is groot, ze waren overtuigend. Maar ondanks Brouwers' polemiek ondergaat de Vlaamse literatuur recentelijk een ongekende herwaardering, althans, de klassieke letterkunde. Bij uitgeverij Houtekiet in Antwerpen verschijnt de Vlaamse Bibliotheek, waarin de belangrijkste boeken uit de vorige eeuw voorbeeldig worden uitgegeven in gebonden edities, voorzien van een nawoord. Maria Rosseels' opzienbarende roman Dood van een non (1961) is het eenentwintigste deel. Met Ward Ruyslincks intieme novelle De stille zomer (1962) bereikt de reeks nummer vierentwintig. Schrijvers Benno Barnard en Paul de Wispelaere stelden voor uitgeverij Contact de zeshonderd bladzijden tellende bloemlezing Het land van de mosseleters samen, met als ondertitel: 150 jaar Vlaamse vertelkunst.

De bloemlezers hebben met deze laatste uitgave `een bepaalde, misschien wat paradoxale historische bedoeling. Het (boek) wil namelijk de bestaande clichés over de `barokke' Vlaamse stijl, de `fascistoïde' Vlaamse Beweging en het `sappige' dialect zowel bevestigen als bestrijden'. De Vlaamse vertelkunst begint voor Barnard en De Wispelaere in 1838, kort na de Belgische revolutie van 1830, met een van de beroemdste Vlaamse boeken, De Leeuw van Vlaanderen of De slag der Gulden Sporen van Hendrik Conscience. Het laatste fragment is uit De neus van de vader (1981) door Leo Pleysier. `Kenmerkend voor die beginsituatie,' schrijven de samenstellers, `was dat we te maken hadden met een Belgisch patriottisme in de twee landstalen: het Frans als enige officiële taal, en de volkstaal, die bestond uit een verzameling van Nederlandse dialecten. Er was toen echt sprake van een ``Belgische' literatuur, waarin niet strikt literaire maar cultuurhistorische oogmerken de boventoon voerden, en waaraan zowel Franstaligen als Nederlandstaligen hun bijdrage leverden. Daarbinnen werd de literatuur van de Vlaamse provincies verbonden aan de Vlaamse Beweging, met het doel bij te dragen aan de bewustwording en emancipatie van de onderdrukte Vlaamse bevolking, en het creëren van een eigen Vlaamse identiteit.'

Uit Het land van de mosseleters blijkt nergens dat die Beweging `fascistoïde' trekken had. Hoogstens spreekt uit De Leeuw van Vlaanderen een diepgewortelde aversie van de zelfbewuste Vlaming jegens de `dwingelandij' van het Franse volk en `de hongerige Sansculotte', die `anderen altijd minacht'. Hoewel de revolutie van 1830 gericht was tegen de Nederlandse overheersing en België zich losscheurde van Nederland, nadat door de opera-uitvoering De Stomme van Portici in Brussel de gemoederen waren verhit, valt op dat in al die zeshonderd gebloemleesde bladzijden niets onvertogens over Nederland staat, en, afgezien van Conscience, evenmin over Frankrijk. Amsterdam komt maar één keer voor, in een fragment van Maurice Gilliams. Voor de Vlaamse literatuur zoals die zich in dit boek aan de lezer voordoet zijn de buurlanden Nederland en Frankrijk van nul en gener waarde. Alsof de Vlaamse literatuur zich in zichzelf heeft teruggetrokken. Een verbazingwekkende ontdekking.

Zowel Het land van de mosseleters als de Vlaamse Bibliotheek is zonder verklarende woordenlijst te lezen. In het voorwoord reppen de samenstellers met geen woord over het verschil in stijl tussen de Noord- en Zuid-Nederlandse literatuur. Er is een handjevol zinnen van Streuvels in het verhaal `Op den dool' (1899) dat voor enige hapering zorgt, zoals: `Ko en Djakse, die daar even nog zo'n plezier hadden, lagen nu te snikken alleen in 't donker bachten een gesloten deur.' De enige auteur die refereert aan het Vlaams en Nederlands als verwante, maar ook contrasterende talen is René Gijsen. Hij schrijft in Locum tenens (1969) over de innerlijke strijd van een acteur: `Op de planken spreek ik algemeen Nederlands. Mijn hart valt uit zijn rol als het de oude volkse uitdrukkingen hoort met de onvergelijkelijke plaatselijke intonaties die mijn emotionele gewoonten vormgeven.'

Natuurlijk ligt het aan de keuze van de samenstellers (De Wispelaere is Vlaming, Barnard is in Amsterdam geboren) dat deze bloemlezing, die anderhalve eeuw literatuur omspant, door iedereen is te lezen. Dat is de tweede grote verrassing: 57 Vlaamse auteurs die transparant, stijlvol Nederlands schrijven. Barok? Ternauwernood. Smeuïg of sappig, exotisch? Geenszins. De opdracht van de samenstellers is geslaagd. Een cliché als het `overdadige Vlaams' – althans: het geschreven Vlaams – is hiermee ontkracht. Ik vind dat, eerlijk gezegd, ook jammer. Voor de edities in de Vlaamse bibliotheek geldt hetzelfde. Rosseels schrijft strak, bijna registererend Nederlands; Ruyslinck ook, met hier en daar een kleurtoets als `wufte prune pruikebol'. Boon is een zorgvuldig stilist in Blauwbaardje, zijn persoonlijke, erotische hertaling van de sprookjes van Grimm, waarin het meisje Blauwbaardje zich dapper door een wereld van opgehitste mannen slaat. `Typisch Vlaams' zal de Noord-Nederlandse lezer wellicht in zichzelf zeggen wanneer hij stuit op de naam van een in het woud verscholen herberg: `Het was al laat geworden toen hij de grote autostrade doorheen het bos bereikte, en de herberg `De twaalf billen'. Het was een wijf, dat er met haar vijf dochters woonde. Hij moest aankloppen, want de deur en ook de billen waren reeds gesloten.' Het enige Nederlandse logement met literaire faam heet De herberg met het hoefijzer.

Het krachtigste cliché schuilt in de titel: Het land van de mosseleters. In het hele boek wordt geen mossel genuttigd, dus deze eetgewoonte zorgt niet voor een lijn die de fragmenten samenbindt. Wel dromen bijna alle mannelijke hoofdpersonen van feesten, eten en drinken en hoeven vol vrouwen met wuivende rokken. Maar ze dromen er vooral van zichzelf te bevrijden uit de klemmende banden van de hechte dorpsgemeenschap, het gezin of huwelijk, de strenge katholieke school, het boerse landleven waar elke verlokking of verleiding uit den boze is. En vervolgens gaan ze een nieuw leven beginnen. In de bloemlezing wemelt het van opgekropte gevoelens die los willen barsten. `Authentieke zelfrealisatie,' noemen Barnard en De Wispelaere dat. Geen mooie formulering, wel treffend.

Deze authentieke stijl, dit `schrijven als belijdenis en initiatie' zoals Geeraerts het noemt, heerst in de Vlaamse literatuur. De initiatie, inwijding, in de verborgen, duistere zijde van het leven geeft aan tal van romans en verhalen een dwingende kracht. De roes en ook de pijn van de eerste seksuele ervaring spelen vaak een hoofdrol. In het fragment `Wrakken' (1938) van Emmanuel De Bom lijdt een matroos onder zijn erotische obsessie. De man doolt rond in een niet nader benoemde havenstad, die Antwerpen moet zijn. Hij voelt een prangende beklemming in zijn borst, waarvan hij zich alleen kan bevrijden door toe te geven aan zijn drift. In een zeemanskroeg richt hij loerende blikken op de kelnerin met `rode frisse lippen'. Uit haar mond `ademde een gesluierde wellust, een betovering die de matroos het bloed in het lijf opzweepte. Een diep brandend verlangen doorschrijnde hem, een onuitsprekelijke begeerte om op die mond zijn gulzige lippen te kleven, om in zo'n kus de hele wereld te vergeten, te vergaan...'.

De ontdekking van de verslavende kracht van passie speelt een beslissende rol in de verhalen die op het platteland zijn gesitueerd. De aardgebondenheid van de hoofdpersonen verandert hen niet zelden in rauwe wezens, overgeleverd aan opwellingen van kwade verlangens. Een voorbeeld hiervan geeft Reimond Stijns in zijn roman Hard labeur (1904). Het Vlaamse boerenland, zoals we dat ook kennen van expressionistische schilders als Gustave De Smet en Permeke, is door ruwe, hoekige figuren bevolkt. Zo ook in Hard labeur, dat begint met deze Natureingang: ` 't Was op een zondag, reeds weken na elkaar laaide de zonnebrand in een stralende diepte, en de lucht beefde boven het goud der roerloze korenvelden, die knetterden onder het zonnegeweld.' De zoon van een poelier besluipt een alleenwonende boerin bij wie het jakje `op de borst open was, en een streepje blank vlees liet zien'. Gedetailleerd beschrijft Stijns de brutale toenadering, de vrees van de vrouw en ook haar heimelijk verlangen, de poging van de man haar aan te randen en haar verweer daartegen. Dit is geen tederheid, dit is een hard gevecht, aangevuurd door primitieve gevoelens.

De chronologisch gerangschikte bloemlezing laat zien hoe de Vlaamse letterkunde zich ontwikkelt. Na het naturalististische boerenhoeveproza van voor de Eerste Wereldoorlog valt de sublieme stijl op van verfijnde prozaïsten als Willem Elsschot, Maurice Gilliams en Raymond Brulez. Tijdens en na de Tweede Wereldoorlog treden Johan Daisne, Louis Paul Boon en Hugo Claus naar voren. Door de beperking in de tijd ontbreken Kristien Hemmerechts en Tom Lanoye. Gelukkig is Walter van den Broeck vertegenwoordigd met een fragment uit zijn befaamde Brief aan Boudewijn (1980). Van Boon kiezen de bloemlezers de sociaal-realistische teksten over Brussel, geschreven voor het communistische periodiek De rode vaan (1946). De reeks heet `Brussel een oerwoud' en beeldt de stadsjungle uit, waarin dezelfde oerwetten heersen als op het platteland van Vermeersch, Stijns en Stijn Streuvels. De laatste voert in `Op den dool' een dronken boer ten tonele die zijn vrouw doodt, omdat zij zich onttrekt aan zijn wil.

Een hoogtepunt vormt het verhaal `Weg' (1968) van Daniël Robberechts, auteur van de moderne roman Aankomen in Avignon (1970). Robberechts verweeft gebeurtenis en gedachte, noodlot en brandend verlangen op subtiele wijze. Een meisje haast zich, verleidelijk aangekleed, naar haar eerste afspraak. Freddie heet hij. Wanneer ze aan niets anders dan aan hem denkend de straat oversteekt, wordt ze aangereden. In cursief staan de steeds gepassioneerdere gedachten van het verliefde meisje, tot aan de aangrijpende laatste regels: `Die man had immers de smak niet gehoord waarmee ze, met een rok die veel hoger fladderde dan behoorlijk was, op het asfalt was neergeploft [...], noch de krak toen de linkervoorwielen de borstkas verbrijzelden. (Dag Freddie, zie ik leg de wapens neer, ik geef me over, hoor, we raken wel op weg.)'

Deze passage is een van de weinige voorbeelden van experimenteel proza, waarin de Vlaamse literatuur in de jaren zestig en zeventig uitblonk. `Vertelkunst' staat voor Barnard en De Wispelaere gelijk met psychologisch verantwoorde romankunst. Ik mis de jazzmusicus en schrijver Willy Roggeman, die met Blues voor glazen blazers (1964) een synthese aanbrengt tussen improvisaties in de jazz en literatuur als een vorm van improvisatie. Ook ontbreekt Jeroen Brouwers, geen in Vlaanderen geboren auteur, wel de schepper van het prachtige, zich in Rijmenam bij Mechelen afspelende dagboek Overal stilte. Krekelbosse klaagzangen (1977).

Bevrijding uit de kluisters van godsdienst, onderwijs en verstikkende moraal vormt het leidmotief van 150 jaar Vlaams vertellen. Die `zelfrealisatie' vindt de hoofdpersoon uit Ruyslinks novelle De stille zomer door zijn liefde voor de dochter van zijn huisbaas te sublimeren in het schrijven van een boek. Maria Rosseels varieert in Dood van een non op het thema van de belijdenis. In de vorm van een gedenkschrift verhaalt de schrijfster over de eenenveertigjarige kloosterlinge Sabine Arnauld die door een religieuze crisis opnieuw tot leven komt. Na haar uittreding voelt ze zich bevrijd van het schuldgevoel dat ze, als meisje, verbond met haar lichamelijke bloei. Rosseels' boek is openhartig en moedig, een pleidooi voor zelfontplooiing en individuele vrijheid. Enerzijds voelt Sabine zich door God verlaten en zoekt ze hem op, anderzijds wil ze begeerd worden door de man van haar dromen. Ze verlangt uiteindelijk naar een schuldeloze liefde en onthechting van wat voor haar het kwaad symboliseert: `lichamelijk begeren'.

Een uitweg vinden uit dit dilemma is onmogelijk. Rede en passie strijden met elkaar, niet alleen bij Rosseels, ook bij tal van andere Vlaamse auteurs. Voor hen is de mens `minder dan een handvol zand dat door de wind wordt voortgejaagd' en die vergeefs zoekt naar het paradijs. Of, zoals Boon het in Blauwbaardje formuleert met waarschuwende woorden, gelegd in de mond van een keuterboer: `Van het leven dat wij droomden is ook in de hemel het leven slechts de schijn.'

Het land van de mosseleters.

150 jaar Vlaamse vertelkunst. Samengesteld door Benno Barnard en Paul de Wispelaere. Contact, 656 blz. €45,–

Ward Ruyslink: De stille zomer. Vlaamse Bibliotheek. Houtekiet, 93 blz. €14,–

Maria Rosseels: Dood van een non. Vlaamse Bibliotheek. Houtekiet, 332 blz. €17,50

Louis Paul Boon: Blauwbaardje in wonderland en andere grimmige sprookjes voor verdorven kinderen. Vlaamse Bibliotheek. Houtekiet, 141 blz. €14,95