Een akkefietje in blessuretijd

Als de kabinetsformatie lang gaat duren, zal er enorme tijdnood dreigen op het vlak van de kunstsubsidiëring. Dit kan wel eens rampzalige gevolgen hebben.

Zo pover als de korte regeerperiode van het kabinet-Balkenende, zo onopvallend was ook het kunstbeleid van staatssecretaris Cees van Leeuwen. De stilste en netste LPF-bewindsman bemoeide zich vooral met het dempen van de ruzies in zijn eigen partij. Hij had daarmee geen succes. Van Leeuwen kreeg het ook niet voor elkaar om in de enige Troonrede van het kabinet-Balkenende ook maar één regel opgenomen te krijgen over het belang van kunst en cultuur voor de huidige Nederlandse samenleving.

Zó keurig en eerlijk is Van Leeuwen, dat hij zelf het negeren van zijn eigen beleidsterrein tijdens een verkiezingsdebat `beschamend' vond. De demissionaire staatssecretaris herhaalde dan ook wat hij in november al zei in de Tweede Kamer: het is beter dat er in het volgende kabinet voor cultuur een minister komt. Een minister zit tenminste bij alle vergaderingen van het kabinet. Als staatssecretaris van Kunst, Cultuur en Media heb je in Den Haag op regeringsniveau heel weinig te vertellen. Toen de Tweede Kamer de LPF'er Van Leeuwen voorhield dat Pim Fortuyn juist terugwilde naar zes ministers, bond Van Leeuwen in met zijn pleidooi voor een extra cultuurminister: ,,U moet niet te veel belang toedichten aan mijn zijdelingse opmerking.''

Zo illustreerde en relativeerde Van Leeuwen weer eens zijn bescheiden positie. De functie van staatssecretaris van Cultuur heeft immers een gering materieel belang. Er gaat op dit gebied veel minder geld om dan bij Volksgezondheid of Onderwijs en in Den Haag wordt de status van een bewindspersoon nu eenmaal afgemeten aan de hoeveelheid geld die hij beheert. Ook al zou het kunstbudget eindelijk eens, zoals nu in verkiezingstijd weer werd bepleit, tot één procent van de rijksbegroting worden opgekrikt, dan nog blijft de kunst steken in de nauwelijks waarneembare marge van de Haagse politiek.

De benoeming van de post `cultuur' is dan ook altijd het allerlaatste probleem aan het eind van een kabinetsformatie. In politieke blessuretijd wordt nog even snel iets geregeld. Daarbij is vaak een overweging dat een wat ongelukkig uitgevallen constellatie van partijen of politici nog kan worden gecorrigeerd. Zo leek het er vier jaar geleden op dat Rick van der Ploeg, de voormalige professor in de economie en financieel woordvoerder, door Ad Melkert naar het staatssecretariaat van Cultuur was weggepromoveerd. Daarmee was Melkert in de PvdA-fractie voor vier jaar verlost van een lastige rivaal.

De extraverte en ambitieuze Van der Ploeg beschouwde zijn staatssecretariaat niet als een degradatie maar als een promotie naar het hoofdpodium van de politiek. Vooral in zijn beginnerstijd was Van der Ploeg dagelijks in beeld met provocerende uitspraken, opvallende gedachten, gewaagde initiatieven en opzienbarende perspectieven. Het permanent oplaten van proefballonnetjes, zoals LPF-bewindslieden deden in hun luttele Haagse maanden, is uitgevonden door Rick van der Ploeg.

Schiphol

Ook het ballonnetje `Waarom hangen we niet een Rembrandt op Schiphol?' werd door de museumwereld met het gebruikelijke gegrijns ontvangen. Maar afgelopen december opende kroonprins Willem-Alexander op Schiphol wèl een dependance van het Rijksmuseum met negen oude meesters. Daaronder was ook een Rembrandt! En de renovatie van het Rijksmuseum, die met een grote rijksbijdrage ruim 200 miljoen euro gaat kosten, is Van der Ploegs equivalent van de `Grands Travaux' die een Franse president pleegt na te laten.

Zo is er in Den Haag zelfs voor een staatssecretaris van Cultuur af en toe toch wel wat te scoren. Van der Ploeg zorgde ook voor een opvallend debacle op filmgebied: het met belastinggeld gegarandeerde rendement voor investeerders, ook al was het eindproduct artistiek of commercieel een flop. Het ergst was dat het hoofdpunt van het kunstbeleid van Van der Ploeg – het aantrekken van een ander en vooral allochtoon publiek door de gesubsidieerde kunst – geen succes werd.

Oorspronkelijk wilde Van der Ploeg voor de gesubsidieerde kunstsector verplichte minimumquota voor het allochtone publiek vaststellen. dat zou leiden tot tellingen van bezoekers op basis van uiterlijke kenmerken. De VVD sloopte hardnekkig zulke criteria weer uit het nieuwe kunstbeleid.

Het afgelopen jaar is de sfeer rond de `multiculturele samenleving' totaal omgeslagen. Het ideaal was dat het Koninklijk Concertgebouworkest de achterstandswijken zou ingaan. Ook diende een straatjongen het orkest eens te dirigeren, zodat hij dan zou weten wat dat was. Of het orkest zou in het Concertgebouw Edsilia Rombley of Ruth Jacott eens kunnen begeleiden. Tegenwoordig is het doel dat elke allochtoon zich de Nederlandse cultuur volledig eigen maakt. De Amsterdamse Bijlmermeer moet nu het liefst naar het Koninklijk Concertgebouworkest om daar, net als het reguliere publiek uit Amsterdam-Zuid, van Brahms te leren houden.

Haar eigen gang

Het opmerkelijke aan het kunstbeleid van staatssecretaris Cees van Leeuwen was dat hij juist zo weinig deed om zich te profileren. Anders dan Van der Ploeg, die zich op hoogstpersoonlijke wijze liet gelden en de kunstwereld op zijn manier van bovenaf wilde sturen, heeft Van Leeuwen een groot respect voor kunstenaars. Hij vindt dat de kunst vooral haar eigen gang moet gaan.

De Rotterdamse advocaat Van Leeuwen had al vroeg connecties met de gevestigde kunstwereld. Als langharige jongere was hij bassist in de groep Kayak met symfonische rock op het repertoire. Keuriger op dit gebied kan eenvoudig niet. Later was Van Leeuwen bestuursvoorzitter van het Utrechtse Franz Lisztconcours. Deze beschaafde staatssecretaris kwam niet aan met loze ballonnetjes. Van Leeuwen kon lid zijn van elke nette partij en het was onvoorstelbaar dat hij een bewindsman was van de LPF, die zich verder vooral uitte met even ferme als platte no-nonsense. In Rotterdam, waar Leefbaar Rotterdam ruim eenderde van de zetels in de gemeenteraad heeft, wilden de aanhangers van Fortuyn ten bate van meer veiligheid flink bezuinigen op kunst en cultuur. Van Leeuwen wist dat te voorkomen met de opmerking dat cultuur óók zorgt voor veiligheid. Een meestergreep!

Toen de staatssecretaris zich in de Tweede Kamer bij een discussie over het Amsterdamse Stedelijk Museum keerde tegen `de losse flodder-ideeën die binnen komen waaien', was dat volgens de parlementariërs niet zo netjes. Van Leeuwen moest zijn woorden terugnemen en deed dat ook gehoorzaam. Even later bleek toch iets van de inmiddels zo bekende platvloerse LPF-toon. De staatsscretaris verklaarde dat hij `deze museale drol' niet op zijn bordje wilde.

De val van het kabinet-Balkenende als gevolg van de LPF-ruzies tussen de ministers Heinsbroek en Bomhoff heeft ook grote gevolgen voor de degelijkheid en consistentie van de toekomstige kunstpolitiek. Daar dreigt enorme tijdnood, die rampzalig kan zijn.

Bij de miljoenennota van september volgend jaar moet de opvolger van Van Leeuwen een compleet nieuw voorstel indienen bij de Tweede Kamer voor de subsidiëring van alle kunstinstellingen in de periode 2005-2008. Dat moet worden voorafgegaan door een nota waarin de regering eerst de uitgangspunten ter discussie stelt. Dan komen er nog allerlei adviesrondes van de Raad voor Cultuur, want ook in het tijdperk van de `Nieuwe Politiek' beslissen regering en parlement niet zelfstandig over het cultuurbeleid en de toekenning van kunstsubsidies. Het oude principe van Thorbecke, dat de staat zich inhoudelijk niet met kunst bemoeit, geldt officieel nog steeds.

See you in court

De volgende ronde in de vierjarige subsidiecyclus belooft zelfs moeizamer, stroperiger, Haagser en bureaucratischer te worden dan ooit. Van der Ploeg liet in 2001 het exorbitante aantal van 165 nieuwe kunstinstellingen toe tot het subsidiesysteem. De meeste daarvan zijn niet te handhaven en de Raad voor Cultuur zal bij velen gebrek aan belang en kwaliteit signaleren. En er moet ook altijd worden gerouleerd en de kunstwereld moet eeuwig vernieuwd.

Bij de wettelijk verplichte advisering door Raad voor Cultuur onder voorzitterschap van ex-minister Winnie Sorgdrager gaat dat leiden tot onaanvaardbare tijdsdruk en een explosie van bureaucratie. Want ook in de kunst heerst de cultuur van bezwaarschriften bij de bestuursrechter, van schadeclaims bij onzorgvuldige procedures en van het `see you in court' als niet elk stadium van rapportage, overleg en besluitvorming is vastgelegd in dossiers vol processen-verbaal en complete beoordelingsprotocollen. Zo dreigt het proces van subsidiëring onevenredig duur te worden. Daardoor wordt er relatief steeds meer geld besteed aan kunstadviseurs en kunstambtenarij dan aan de kunst.

Eigenlijk heeft het kunstbeleid een demissionaire status sinds het laatste kabinet-Kok aftrad op 16 april 2002, want Van Leeuwen heeft geen echt beleid gevoerd. Met een lange kabinetsformatie kan het gebeuren dat het kunstbeleidloze tijdperk straks een jaar duurt. Maar dat zal in de ministerraad niemand opvallen.